ECLI:NL:RBDHA:2025:601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland heeft een verzoek tot terugname bij Oostenrijk ingediend, dat door Oostenrijk is aanvaard.
Eiser voerde aan dat zijn psychische klachten een uitzondering vormen op de Dublinverordening, omdat alleen in Nederland sprake zou zijn van een veilige en stabiele leefomgeving met familieondersteuning die noodzakelijk is voor zijn behandeling. De rechtbank oordeelt echter dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheden van eiser geen aanleiding geven om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat eiser in Oostenrijk adequate opvang en medische zorg kan ontvangen. Eiser heeft onvoldoende objectieve of medische informatie verstrekt waaruit blijkt dat zijn psychische klachten niet adequaat kunnen worden behandeld zonder de nabijheid van zijn familie.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en blijft het besluit van de minister in stand. Eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk en krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.