ECLI:NL:RBDHA:2025:6013

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
NL25.14214
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMParagraaf A4/2.2 Vreemdelingencirculaire A 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen inreisverbod wegens ontbreken familie- of gezinsleven

Eiser, van Albanese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen een door de minister opgelegd inreisverbod van twee jaar. Hij stelt dat hij family life uitoefent in Europa, verwijzend naar familieleden in Frankrijk, Italië en een kind in Engeland. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 4 april 2025, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat zijn stellingen niet concreet zijn onderbouwd. De enkele verklaring over familieleden in verschillende Europese landen is onvoldoende om een onderzoeksplicht van de minister te activeren. De minister heeft terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen en daarom ook geen belangenafweging gemaakt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14214

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Inleiding

1. Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft alleen beroep ingesteld tegen het inreisverbod.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. Eiser stelt dat hij ‘family life’ uitoefent in Europa. De minister heeft echter niet doorgevraagd naar de in Europa woonachtige familie van eiser en heeft daarmee volgens eiser de onderzoeksplicht en het verdedigingsbeginsel geschonden. Daarnaast heeft volgens eiser ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Daarmee is ook het motiveringsbeginsel geschonden.
4. De rechtbank overweegt als volgt. De IND vaardigt geen inreisverbod uit als dit in het geval van de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM Pro betekent. [2] Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft zijn beroep hierop niet concreet onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat er nichten van hem in Frankrijk en een oom en een aantal neven in Italië wonen en dat zijn kind in Engeland woont, is in dit verband onvoldoende. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat de minister naar aanleiding van deze enkele verklaring een onderzoeksplicht had naar het bestaan van familie- of gezinsleven. De minister heeft terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen en heeft dus ook terecht geen belangenafweging gemaakt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire A 2000.