ECLI:NL:RBDHA:2025:6015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens opgeheven bewaring en ontbreken beroepsgronden
De minister legde op 12 maart 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Op 20 maart 2025 werd de bewaring opgeheven omdat eiser werd overgedragen aan Zwitserland.
De rechtbank behandelde het beroep op 4 april 2025, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was. De beoordeling beperkte zich tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend. Omdat eiser geen beroepsgronden had aangevoerd, oordeelde de rechtbank dat zij de bewaring niet ambtshalve hoefde te toetsen.
De rechtbank concludeerde dat noch de Vreemdelingenwet, noch het arrest C, B en X van het Hof van Justitie een grondslag boden voor ambtshalve toetsing. Zonder aangevoerde gronden voor onrechtmatigheid werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.