ECLI:NL:RBDHA:2025:6034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
NL25.9154
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.9a Voorschrift vreemdelingen 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tijdelijke bescherming Oekraïne

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin is bepaald dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Verzoekster verblijft sinds haar komst in Nederland in de opvang voor ontheemden uit Oekraïne, maar het bestreden besluit stelt dat zij niet behoort tot de groepen die recht hebben op deze tijdelijke bescherming.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat zij per 11 april 2025 de opvangvoorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne moet verlaten. Echter, verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de criteria van de Richtlijn, met name dat zij na 23 februari 2022 Oekraïne heeft verlaten. Haar verklaring wordt niet ondersteund door paspoortstempels en overgelegde bewijsstukken.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster naar verwachting ongegrond zal zijn en dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster kan opvang krijgen als asielzoekster, wat voldoende is, hoewel de rechten verschillen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster niet onder de doelgroep van tijdelijke bescherming valt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9154

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn). [1]
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), buiten zitting behandeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beoordelingskader
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt van de verzoeker een griffierecht geheven.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan een mondelinge behandeling van een kennelijk gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk verzoek achterwege blijven.

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht toe, omdat verzoekster met het volledig ingevulde en door haar ondertekende formulier ‘vrijstelling griffierecht’ voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de voorwaarden voldoet. Dit betekent dat verzoekster geen griffierecht hoeft te betalen. Ook overigens is niet gebleken van enige grond om het verzoek (kennelijk) niet-ontvankelijk te achten.
5. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat het verzoek connex is aan een door verzoekster gemaakt bezwaar en dat de rechtbank te zijner tijd bevoegd zal zijn om kennis te nemen van een eventueel beroep tegen het op dat bezwaar te nemen besluit.

Spoedeisend belang

6. Verzoekster verblijft sinds haar komst naar Nederland in de opvang voor ontheemden uit de Oekraïne. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat verzoekster niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne, zoals genoemd in artikel 3.9a van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (VV) die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland. Om die reden heeft de gemeente Roosendaal verzoekster opgedragen om de opvang voor ontheemden uit de Oekraïne in die gemeente op 11 april 2025 te verlaten. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij wordt behandeld als een rechthebbende op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat verzoekster geen aanspraak kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. Het indienen van bezwaar heeft geen schorsende werking. Aangezien verzoekster is aangezegd dat zij met ingang van 11 april 2025 de specifieke opvangvoorzieningen voor ontheemden uit de Oekraïne kwijt zal raken, heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Dat, zoals verweerder stelt, verzoekster op dit moment in aanmerking kan komen voor opvang als asielzoekster door COa maakt dat niet anders, omdat de te onderscheiden opvangrechten niet identiek zijn.

Valt verzoekster onder de Richtlijn?

8. De voorzieningenrechter komt evenwel tot de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
9. Op grond van artikel 3.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang met artikel 3.9a van het VV hebben recht op tijdelijke bescherming vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit die na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd.
10. Verweerder concludeert in het bestreden besluit dat verzoekster niet onder het toepassingsbereik van de Richtlijn valt, omdat niet is gebleken dat verzoekster als gevolg van de oorlog in Oekraïne ontheemd is geraakt. Verzoekster heeft namelijk niet aannemelijk kunnen maken dat zij eerst na 23 februari 2022 Oekraïne heeft verlaten. Haar verklaring dat zij in 2021 en 2022 nog in Oekraïne verbleef wordt niet bevestigd door de in- en uitreisstempels uit haar (oude) paspoort. Uit dat paspoort volgt enkel dat verzoekster in 2023 vanuit Rusland naar India is gevlogen.
11. Verzoekster heeft voornoemde overwegingen van verweerder niet weten te weerleggen met haar (aanvullende) verzoek- en bezwaarschrift. Van verzoekster is bekend dat zij eind 2023 via Rusland naar India is gereisd. Op 5 december 2024 is zij vanuit India naar Nederland gekomen. Waar verzoekster daarvoor verbleef, is niet duidelijk geworden. Met de door verzoekster overgelegde foto’s van apotheekrecepten heeft zij niet aangetoond dat zij in de periode 2021-2023 in Donetsk verbleef. Niet is gebleken dat zij voor afgifte van de recepten daadwerkelijk in Donetsk aanwezig diende te zijn. De door haar aangevoerde omstandigheid dat verder bewijs voor haar gestelde verblijf in Oekraïne moeilijk te verkrijgen is, omdat zij uit de regio Donetsk komt en deze regio onder Russische controle staat, laat verweerders conclusies onverlet.
12. Bij de huidige stand van zaken moet dan ook worden verwacht dat het bezwaar van verzoekster ongegrond zal worden verklaard.

Belangenafweging

13. Nu verzoekster in verband met haar asielaanvraag in aanmerking komt voor opvang door COa ziet de voorzieningenrechter ook overigens geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor haar geen toereikende opvangvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. De omstandigheid dat zij als ontheemde uit Oekraïne wel en als asielzoekster voorlopig niet zal mogen werken volgt uit de onderscheiden status. Voor zover verzoekster zich beroept op haar gezins- en privéleven, heeft zij niet geconcretiseerd waarom dat moet leiden tot een andere belangenafweging.

Conclusie

14. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2025 door mr. A.J. de Danschutter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55 EG.