Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER van 28 mei 2024. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat eiser na het verstrijken van deze termijn de minister heeft verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen. De minister heeft echter pas op 28 februari 2025 een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat inmiddels een besluit is genomen. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond omdat eiser geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen dat besluit.
Verder heeft de minister toegezegd de bestuurlijke dwangsom te betalen, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om een rechterlijke dwangsom op te leggen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €194,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.