ECLI:NL:RBDHA:2025:6062

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
NL25.15207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 33 Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. De eiser betwistte de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet, die voldoende waren om de bewaring te dragen vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser stelde dat de minister onderzoek had moeten doen naar mogelijke risico's bij terugkeer naar Polen, waaronder een dreiging voor zijn leven, en dat een lichter middel passend zou zijn geweest vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en psychische gezondheid. De rechtbank oordeelde dat de minister geen onderzoek hoefde te doen naar terugkeerrisico's in deze procedure, omdat het alleen ging om de rechtmatigheid van de bewaring, niet om uitzetting.

Verder vond de rechtbank dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, mede omdat eiser geen actie had ondernomen om zijn verblijf te legaliseren of vrijwillig te vertrekken. De psychische gezondheid en het suïciderisico werden adequaat opgevangen binnen het detentiecentrum. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15207

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden van bewaring de maatregel dragen?
1. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De niet betwiste zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, omdat ze feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht. [1] Uit de gronden volgt dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Had de minister onderzoek moeten doen naar de mogelijke risico’s die eiser loopt bij terugkeer naar Polen?
2. Eiser betoogt dat hij bij een gedwongen uitzetting opgepakt zal worden in Polen, omdat hij daar nog een straf moet uitzitten. Hij zal hij in Polen in de gevangenis komen, waar een man zit die heeft gedreigd eiser te vermoorden. Eiser loopt dan een groot risico om te worden gedood. De minister kan eiser niet uitzetten zonder te onderzoeken of er sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM en/of artikel 33 van Pro het Vluchtelingenverdrag.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank had de minister in het kader van het opleggen van de maatregel van bewaring geen onderzoek hoeven doen naar de mogelijke risico’s die eiser loopt bij terugkeer naar Polen. Deze beroepsgrond ziet namelijk op de uitzetting van eiser. Als eiser het niet eens is met de beëindiging van zijn rechtmatig verblijf, waar deze uitzetting uit voortvloeit, ligt het op de weg van eiser om rechtsmiddelen aan te wenden in die procedure. Deze procedure gaat enkel over de vraag of eiser rechtmatig in bewaring zit, niet over de vraag of eiser kan worden uitgezet of niet. Er ligt in deze procedure ook geen terugkeerbesluit ter toetsing voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel had moeten opleggen. Eiser voert aan dat hij een vriendin heeft in Nederland. Daarnaast betoogt eiser dat hij vrijwillig wil vertrekken naar Spanje. Hierdoor is een meldplicht een beter passend middel, omdat eiser dan intussen kan werken aan zijn vrijwillige vertrek. In dit kader voert eiser verder aan dat de minister bij de inbewaringstelling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische gezondheid. Eiser heeft meermaals aangegeven dat hij zichzelf van het leven zal beroven wanneer hij van zijn vrijheid zou worden beroofd. Het had op de weg van de minister gelegen om hier verder medisch onderzoek naar te doen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Hierbij wijst de minister er terecht op dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland geen actie heeft ondernomen om opnieuw rechtmatig verblijf te verkrijgen of om vrijwillig te vertrekken. Het onttrekkingsrisico blijkt uit de niet bestreden zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring. Het feit dat eiser een vriendin heeft in Nederland maakt niet dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is voor eiser. Hierbij is het van belang dat het om ‘een vriendin’ gaat, met wie eiser niet gehuwd is of samenwoont. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook niet aangegeven dat hij met deze vriendin gezinsleven heeft, of dat het anderszins om die reden niet wenselijk is dat eiser in bewaring wordt gesteld. Met betrekking tot de psychische gezondheid van eiser stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor vreemdelingen met een suïciderisico is in het detentiecentrum bovendien een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.