ECLI:NL:RBDHA:2025:6097
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring bodemzaak in vreemdelingenrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende vreemdelingenrecht heeft de voorzieningenrechter op 10 april 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek volgde op een besluit van 27 augustus 2024 waarbij de minister van Asiel en Migratie het bezwaar van verzoeker tegen de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag kennelijk ongegrond verklaarde.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat de bodemzaak (zaaknummer AWB 24/14013) gegrond werd verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 907, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, waardoor de beslissing definitief is.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 907.