ECLI:NL:RBDHA:2025:6102
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens onnodige duur in asielprocedure
De rechtbank Den Haag heeft op 10 april 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de voortzetting van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres was sinds 22 november 2024 in bewaring en voerde aan dat de detentie niet meer zo kort mogelijk duurde zoals vereist volgens artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, mede omdat er geen zicht was op een spoedige behandeling van haar asielprocedure.
De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van een eerdere uitspraak rechtmatig was, maar dat sindsdien de omstandigheden waren veranderd. Verweerder had onvoldoende inzicht gegeven in het tijdspad van de asielprocedure en had nagelaten om de voortgang van de behandeling te bespoedigen, ondanks dat eiseres ter zitting had aangegeven gehoord te willen worden. Hierdoor duurde de vrijheidsontneming langer dan noodzakelijk.
De rechtbank vond dat het belang van eiseres, die al een aanzienlijke tijd in bewaring zat zonder uitzicht op snelle behandeling, zwaarder woog dan het grensbewakingsbelang van verweerder. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de maatregel van bewaring met ingang van 10 april 2025 opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de maatregel vanaf dat moment onrechtmatig was geworden. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onnodige duur zonder zicht op snelle asielprocedurebehandeling.