ECLI:NL:RBDHA:2025:6142
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag vreemdelingenrecht niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van haar aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De afwijzing vond plaats bij besluit van 26 februari 2024, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt. Op 18 februari 2025 heeft de minister op het bezwaarschrift beslist.
Verzoekster heeft echter geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een beroepsprocedure tegen het bezwaarbesluit loopt. Omdat dit niet het geval is, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze beslissing is genomen zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure tegen het bezwaarbesluit.