ECLI:NL:RBDHA:2025:6143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
25/1543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag vreemdelingenrecht niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin een aanvraag werd afgewezen. Na bezwaar tegen dit besluit heeft de minister op 4 maart 2025 het bezwaarschrift afgewezen. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een lopende beroepsprocedure is tegen het besluit op bezwaar. Omdat dat hier niet het geval is, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk behandeld.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1543

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Verweerder heeft op 4 maart 2025 beslist op het bezwaarschrift.
1.4.
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.