ECLI:NL:RBDHA:2025:6266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
NL25.4765
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Polen toegewezen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Polen verantwoordelijk is volgens het Dublin-verdrag.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met twee andere zaken en besloot het verzoek toe te wijzen. De behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van een uitspraak van een meervoudige kamer over het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het licht van recente ontwikkelingen in Polen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoeker om in Nederland te blijven en zijn beroep af te wachten zwaarder weegt dan het belang van de minister om hem uit te zetten. Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker mag niet worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep is beslist.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 1.814,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Polen wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4765

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende zijn beroep tegen het besluit van 30 januari 2025 waarin de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL25.4764 en NL25.9032, op 2 april 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek in de bodemprocedure en in de voorlopige voorzieningenprocedure gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De gemachtigde van verzoeker heeft op 1 april 2025 aanvullende gronden overgelegd. Hierin is verwezen naar de risico’s van de ontwikkelingen dat Polen van plan is het recht op asiel (tijdelijk) af te schaffen. De gemachtigde van verzoeker heeft er daarbij op gewezen dat deze voorgenomen wijzigingen op 21 februari 2025 zijn aangenomen door het Poolse (lagere) parlement.
2.1.
De vraag of de minister voor Polen, gelet op deze ontwikkelingen, nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wordt door een meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats beoordeeld in een andere, nog op zitting te behandelen zaak. De uitspraak van de meervoudige kamer kan gevolgen hebben voor het beroep van verzoeker. Het beroep van verzoeker wordt daarom aangehouden in afwachting van de uitkomst van die uitspraak. Het verzoek strekt er slechts toe dat de verzoeker gedurende de behandeling van zijn beroep niet wordt uitgezet. Dat is niet meer dan het in stand laten van de huidige situatie, omdat hij nog in Nederland verblijft. Het belang van verzoeker om de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten weegt zwaarder dan het belang van de minister om verzoeker voor die tijd te kunnen zetten.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Polen totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.