Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 8 januari 2025 buiten behandeling is gesteld. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 13 maart 2025 samen met de bodemzaak behandeld. De bodemzaak is ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Hoewel het verzoek wordt afgewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.