ECLI:NL:RBDHA:2025:6317
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene
Eiseres, met Turkse nationaliteit en sinds 2013 verblijvend in Nederland met een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf bij partner', diende op 27 februari 2024 een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De minister wees deze aanvraag af op grond van onvoldoende duurzame en zelfstandige middelen van bestaan, een verblijfsgat tussen maart en mei 2019, en het ontbreken van rechten als gezinslid van een Turkse werknemer conform artikel 7 van Pro Besluit nr. 1/80.
Eiseres erkende in haar aanvullende beroepsgronden dat haar partner niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 7 van Pro Besluit nr. 1/80, waardoor zij niet aan de voorwaarden voor de gevraagde vergunning voldeed. De minister stelde dat eiseres geen procesbelang had bij de procedure, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen actueel en reëel belang had bij de procedure, omdat het verkrijgen van de gevraagde vergunning niet mogelijk was en het beroep daardoor feitelijk geen betekenis had. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank liet de overige gronden buiten beschouwing. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.