Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de minister van Asiel en Migratie op 14 oktober 2024 is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, maar ook dit bezwaar is op 23 januari 2025 door de minister afgewezen. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 31 maart 2025 behandeld tijdens een zitting in Groningen, waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, zijn zus, nichtje en een jongerenwerker aanwezig waren. De gemachtigde van de minister was afwezig.
De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.4477) en het beroep ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter V.A.G. van Dijk en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.