Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3 januari 2025 onderhavig beroep ingediend.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 21 januari 2025 uitspraak gedaan over een opvolgend beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser had reeds op 7 augustus 2024 een eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, dat door de rechtbank Zwolle op 6 november 2024 gegrond werd verklaard. De minister kreeg toen een termijn van zestien weken opgelegd om alsnog een besluit te nemen, tot uiterlijk 26 februari 2025.
Eiser heeft echter op 3 januari 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, terwijl de door de rechtbank opgelegde termijn nog niet was verstreken. De rechtbank oordeelt dat dit opvolgend beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het prematuur is ingediend. De rechtbank baseert zich hierbij op de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier M.A. Postma, en is zonder zitting uitgesproken conform artikel 8:54 Awb Pro. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuriteit.