De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om samen met haar twee minderjarige kinderen te verhuizen naar een andere plaats en wijziging van de zorgregeling. De vader verzette zich hiertegen en verzocht primair om een verhuisverbod en subsidiair om een aangepaste zorgregeling.
De rechtbank heeft alle omstandigheden afgewogen, waaronder het belang van de kinderen om in hun vertrouwde omgeving te blijven, de afstand en reistijd tussen de woonplaatsen, de leeftijd en sociale bindingen van de kinderen, en de relatie tussen de ouders. De moeder kon onvoldoende onderbouwen dat haar veiligheid in het huidige woongebied in gevaar is en de vermindering van haar reistijd weegt niet op tegen het belang van de kinderen.
De rechtbank besloot daarom de vervangende toestemming voor verhuizing af te wijzen. Het primaire verzoek van de vader tot verhuisverbod werd afgewezen vanwege het EVRM, maar het subsidiaire verzoek tot een week-op-week-af zorgregeling werd toegewezen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen werd ambtshalve bij de vader vastgesteld. De zorgregeling startte in april 2025 en de ouders bereikten overeenstemming over de verdeling van de zomervakantie.