ECLI:NL:RBDHA:2025:6481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
09/183490-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51a SvArt. 51b SvArt. 187d SvArt. 32 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning inzagerecht en slachtofferstatus in zaak lekken vertrouwelijke informatie

In de strafzaak tegen de verdachte heeft de rechtbank Den Haag op 10 april 2025 beslist dat een vrouw als slachtoffer wordt aangemerkt. Dit verzoek was ingediend naar aanleiding van vermeend lekken van vertrouwelijke informatie, waarbij de vrouw reputatieschade zou hebben geleden. Hoewel het Openbaar Ministerie en de verdediging bezwaar maakten, oordeelde de rechtbank dat er voldoende aanleiding was om haar als slachtoffer te erkennen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, dat slachtoffers het recht geeft om kennis te nemen van relevante processtukken. De rechtbank vond dat het inzagerecht voor slachtoffers zoveel mogelijk gelijk moet zijn aan dat van verdachten en dat er geen weigeringsgronden waren om dit recht te beperken. Tevens werd overwogen dat de vrouw voldoende gelegenheid moet krijgen om zich eventueel als benadeelde partij te voegen.

De beslissing omvatte ook toestemming voor de vrouw om een afschrift van het gehele strafdossier te ontvangen. De rechtbank achtte het niet wenselijk te wachten tot de inhoudelijke behandeling op 15 mei 2025 en gaf daarom nu al toestemming. De civiele vonnissen die door de verdediging werden aangevoerd, werden door de rechtbank als minder relevant beoordeeld.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, onder voorzitterschap van mr. S.M. Krans, en met mr. L. Amperse en mr. N.F.R. de Rooij als rechters.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en kent de vrouw slachtofferstatus en inzagerecht toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/183490-24
Datum beslissing: 10 april 2025
De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft de navolgende beslissing gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Het verzoek en de reacties

Op 5 februari 2025 heeft in de strafzaak tegen de verdachte een pro forma-zitting plaatsgevonden.
Per brief d.d. 13 februari 2025 (bijlage I) heeft mr. C.J. Knoops-Hamburger beschreven dat haar cliënte [naam] (hierna: [naam] ) is benadeeld door het lekken van informatie naar de pers en is de rechtbank verzocht om [naam] als slachtoffer in de strafzaak tegen de verdachte aan te merken. Mr. Knoops-Hamburger heeft uitgelegd dat zij dit verzoek al eerder meermalen bij het OM heeft gedaan, maar dat dat telkens is afgewezen. Volgens mr. Knoops-Hamburger is er - mede omdat het OM is overgegaan tot de vervolging van de verdachte - nu een concreet belang om [naam] als slachtoffer aan te merken. Mr. Knoops-Hamburger heeft voorts om die reden verzocht om haar in bezit te doen stellen van het (gehele) strafdossier.
De voorzitter heeft op 19 maart 2025 de officier van justitie en mr. R. Malewicz, de raadsman van de verdachte, gevraagd om een standpunt hieromtrent.
Op 19 maart 2025 heeft de officier van justitie verwezen naar het eerdere ingenomen standpunt in een e-mail van 18 december 2023, inhoudende dat [naam] vanwege onvoldoende verband tussen het strafbare handelen en de gestelde reputatieschade niet is aan te merken als slachtoffer als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en daarom geen recht heeft op inzage of kennisname van het dossier. De e-mail d.d.
18 december 2023 is als bijlage II achter deze beslissing gevoegd.
Op 4 april 2025 heeft mr. Malewicz per e-mail (bijlage III) toegelicht dat hij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie, heeft hij verwezen naar overwegingen in de civiele vonnissen d.d. 5 februari 2025 tussen onder meer [naam] en de Staat der Nederlanden en heeft hij verzocht het verzoek af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

Bevoegdheid
Artikel 51b Sv bepaalt dat de officier van justitie op verzoek van het slachtoffer toestemming verleent om kennis te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd en overigens door de officier van justitie. Ook in de Memorie van Toelichting van artikel 51b Sv (TK 2004-2005, 30143, nr. 3) staat de mogelijkheid beschreven dat de rechter toestemming verleent voor inzage in de processtukken, als het slachtoffer dat verzoek na de aanvang van de terechtzitting indient. Nu een eerste zitting in de zaak tegen de verdachte heeft plaatsgevonden (en de zaak dus onder de rechter ligt), acht de rechtbank zich bevoegd om op het verzoek te beslissen. Gelet op de aard van het verzoek acht de rechtbank het niet wenselijk om te wachten met het nemen van de beslissing tot het onderzoek ter terechtzitting, de inhoudelijke behandeling op 15 mei 2025. Teneinde aan het verzoek tegemoet te komen en met inachtneming van de belangen van de procespartijen, heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman van de verdachte in de gelegenheid gesteld om hun standpunten kenbaar te maken.
Inhoudelijk
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanleiding is om [naam] als slachtoffer
in de zin van het Wetboek van Strafvorderingaan te merken. Anders dan betoogd door het OM is het niet uitgesloten dat zij, zoals onderbouwd gesteld in het verzoek, nadeel/schade (bijvoorbeeld reputatieschade) heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van het vermeende lekken van vertrouwelijke informatie door de verdachte. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [naam] impliciet (haar functie wordt genoemd) ook onderdeel uitmaakt van de tenlastelegging. De door de raadsman genoemde overwegingen in de civiele vonnissen zijn in dit verband minder relevant en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De rechtbank overweegt dat een slachtoffer op grond van artikel 51b lid 1 Sv in beginsel recht heeft om kennis te nemen van de voor hem/haar relevante delen van het procesdossier. Uitgangspunt daarbij is dat de inzageregeling voor slachtoffers zoveel mogelijk gelijk wordt getrokken met die voor de verdachten. Voorts is van belang dat niet is gebleken – en dit is door de verdediging en het OM ook niet betoogd – van enige weigeringsgrond als bedoeld in artikel 51b lid 3 jo. 187d lid 1 Sv. De rechtbank zal daarom geen beperking aanbrengen in het inzagerecht van [naam] . Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat [naam] voldoende gelegenheid moet krijgen om (eventueel) zich te voegen als benadeelde partij in de zaak tegen de verdachte. Verder zal het dossier inhoudelijk op een openbare zitting van 15 mei 2025 worden besproken, zodat er geen sprake is van onderzoeksbelangen die nopen tot weigering van kennisneming/inzage.
Op grond van artikel 51b lid 6 Sv kan een slachtoffer van de processtukken waarvan de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschriften verkrijgen. Er zijn geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 51b lid 6 jo 32 Sv gesteld of gebleken. De rechtbank zal dan ook beslissen dat [naam] naast de toestemming tot kennisneming tevens toestemming krijgt tot ontvangst van een afschrift van het gehele strafdossier.

Beslissing

De rechtbank:
  • merkt [naam] in deze strafzaak als slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering aan;
  • verleent haar toestemming tot kennisneming van het gehele strafdossier en tot ontvangst van een afschrift daarvan ter griffie.
Deze beslissing is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. L. Amperse, rechter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.K.M. Hanssen, griffier.
Bijlage I: Verzoek mr. C.J. Knoops-Hamburger inzake parketnummer 09/18349024 d.d. 13 februari 2025;
Bijlage II: E-mail Openbaar Ministerie aan Knoops’ advocaten d.d. 18 december 2023;
Bijlage III: E-mail mr. Malewicz aan de rechtbank d.d. 4 april 2025.