AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 18 april 2025 een voorlopige voorziening toegewezen aan verzoeker tegen de afwijzing van diens aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 1 augustus 2024 het verzoek van verzoeker afgewezen, waartegen bezwaar was gemaakt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed en dat de belangen van verzoeker zodanig waren dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd was. De minister heeft bovendien aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. Daarom is bepaald dat de minister verzoeker niet mag uitzetten of voorbereidingen tot uitzetting mag treffen totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van verzoeker en de proceskosten van € 907,- voor beroepsmatige rechtsbijstand. De uitspraak is zonder zitting gedaan op grond van artikel 8:83 lid 3 AwbPro, vanwege de kennelijke gegrondheid van het verzoek.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/13174
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
De minister heeft op 10 april 2025 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om de voorziening toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht van verzoeker vergoeden.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden.
veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 907-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.