ECLI:NL:RBDHA:2025:6638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
NL24.12999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 lid 1 VwArt. 42 lid 4 onder b VwArt. 6:12 lid 2 AwbArt. 4:17 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te vroeg ingediend tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op 1 december 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft de beslistermijn met negen maanden verlengd, waardoor de uiterste beslisdatum verstreken was. Eiser heeft de minister op 11 maart 2024 schriftelijk verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen, waarbij deze termijn op 13 maart 2024 begon te lopen.

Eiser heeft echter het beroepschrift ingediend op 25 maart 2024, vóór het verstrijken van de tweewekentermijn op 27 maart 2024. Hierdoor is het beroep prematuur en voldoet het niet aan de vereisten voor ontvankelijkheid bij een beroep tegen niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt daarom dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 april 2025 door rechter A.G.D. Overmars.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroeg indienen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12999

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 1 december 2022.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [2] De minister heeft deze termijn met negen maanden verlengd. [3] De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. [4] Eiser heeft de minister, met de brief van 11 maart 2024, door de minister ontvangen op 12 maart 2024, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [5] De termijn van twee weken vangt aan één dag na ontvangst van de brief waarin eiser de minister heeft gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [6] In het geval van eiser begon deze termijn op 13 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn daarom is verstreken op 27 maart 2024. Eiser heeft het beroepschrift ingediend op 25 maart 2024. Het beroep is te vroeg en dus prematuur ingediend en voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw.
4.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.
5.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
6.Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.