ECLI:NL:RBDHA:2025:6739
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek machtiging tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de Wvggz
De officier van justitie heeft op 4 maart 2025 een verzoek ingediend tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling. De rechtbank behandelde dit verzoek op 6 maart 2025, gelijktijdig met een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel.
Tijdens de zitting gaf betrokkene aan zich beter te voelen en weer dingen thuis te willen oppakken. Hij is het niet eens met het verzoek en vindt dat zorg zonder dwang mogelijk is. Zijn behandeling bestaat voornamelijk uit medicatie, waarvan hij de dosering bespreekbaar wil houden. De advocaat van betrokkene verzocht primair om afwijzing van het verzoek en subsidiair om alleen de voortzetting van de crisismaatregel toe te wijzen.
De arts-assistent verklaarde dat eerdere ambulante behandeling niet op gang kwam en dat crisismaatregelen noodzakelijk waren vanwege psychotische decompensaties. Betrokkene is zorgmijdend en onvoldoende gestabiliseerd om ontslagen te worden. De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de crisismaatregel passend is en dat een zorgmachtiging op dit moment een te zware maatregel is.
De rechtbank besloot het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af te wijzen, met de mogelijkheid om over drie weken opnieuw te beoordelen of een zorgmachtiging nodig is op basis van het actuele toestandsbeeld van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging is afgewezen omdat de voortzetting van de crisismaatregel passend is en een zorgmachtiging een te zware maatregel vormt.