ECLI:NL:RBDHA:2025:6753
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verkeersboete ongegrond wegens intrekking beschikking
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd en stelde hiertegen beroep in bij de officier van justitie. Deze verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de opsporingsinstantie de beschikking had ingetrokken. Betrokkene ging in hoger beroep bij de kantonrechter. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de beschikking op 7 mei 2024 was ingetrokken en betrokkene hiervan op 8 mei 2024 op de hoogte was gesteld.
De kantonrechter gaf de officier van justitie de gelegenheid om schriftelijk bewijs te leveren van de intrekking, hetgeen op 3 april 2025 werd ontvangen. Hieruit bleek dat het beroep pas na de intrekking was ingesteld, waardoor het beroep niet-ontvankelijk was. De gevorderde proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M. Rootring en griffier R. Tugo, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard omdat de beschikking reeds was ingetrokken.