ECLI:NL:RBDHA:2025:6772
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse nationaliteit
Verzoekster, geboren in 1963 in de Palestijnse Gebieden, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar staatloosheid. Zij bezit een Palestijns paspoort, een Palestijnse geboorteakte en een UNRWA-document, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als authentiek zijn beoordeeld. De rechtbank nam kennis van het verzoek en het advies van de Staat, die het verzoek tot vaststelling van staatloosheid ondersteunde.
De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 2 van Pro de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023), waarin staat dat staatloosheid kan worden vastgesteld indien niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat als onderdaan wordt beschouwd. Hoewel verzoekster in het bezit is van Palestijnse documenten, erkent Nederland de staat Palestina en de Palestijnse nationaliteit niet. Hierdoor worden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden door Nederland als staatloos beschouwd.
De rechtbank concludeerde dat verzoekster niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd en stelde daarom haar staatloosheid vast. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen, en uitgesproken op 23 april 2025 door rechter C.S.F. de Nijs.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is.