Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond in een verlengde procedure op 14 februari 2025. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de hoofdzaak op 15 april 2025. Omdat de rechtbank op die dag uitspraak deed in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.8370), achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af.
Daarnaast bepaalde de voorzieningenrechter dat verzoeker recht heeft op een vergoeding van proceskosten, welke de minister moet betalen. De vergoeding is vastgesteld op €907,00, gebaseerd op een vast bedrag per proceshandeling volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.E.M. van Abbe en griffier W.J.T. Twijnstra op 23 april 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.