ECLI:NL:RBDHA:2025:7006

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
NL25.14079
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring en voortvarendheid uitzetting naar Algerije

De minister heeft op 21 november 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is eerder door de rechtbank als rechtmatig beoordeeld tot 10 januari 2025. De minister heeft de voortzetting van de bewaring kenbaar gemaakt en een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd.

Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend is in het uitzettingsproces. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin het zicht op uitzetting naar Algerije wordt bevestigd. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt en dat de minister regelmatig rappelleert voor de afgifte van een laissez passer.

De rechtbank overweegt dat het langdurige onderzoek niet doorslaggevend is en dat eiser onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van benodigde documenten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die meer uitzettingshandelingen vereisen. De maatregel van bewaring is niet onrechtmatig en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: H. Toonders).

Procesverloop

De minister heeft op 21 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 17 januari 2025 (in de zaak NL25.320) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 10 januari 2025 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 april 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
2. De rechtbank volgt eiser hierin niet en oordeelt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
3. In de uitspraak van 6 mei 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:1892), rechtsoverweging 7 en 7.1, is geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 27 februari 2025. Dat dit onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend omdat de Algerijnse autoriteiten in ieder geval niet te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Wat betreft eisers beroepsgrond over het rappelleren op dossierniveau overweegt de rechtbank dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Daarnaast heeft de minister op 17 januari 2025, 17 februari 2025 en 17 maart 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid was gehouden meer of andere uitzettingshandelingen te verrichten dan tijdens de ter toetsing staande periode is gebeurd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Algerije vooralsnog aanwezig en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Ambtshalve toetsing

4. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 april 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.