Eiser, een Iraakse asielzoeker, werd op 16 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet risico op onderduiken en een geplande overdracht volgens de Dublinverordening.
Eiser betwistte de gronden voor bewaring, met name dat hij niet op de hoogte was van het overdrachtstijdstip en dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verstreken. Verweerder liet de grond 3a vallen maar handhaafde de gronden 3i (niet meewerken aan overdracht) en 3m (noodzaak overdracht binnen termijn).
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser niet meewerkte aan de overdracht op 10 april 2025 en dat de overdracht op 23 april 2025 binnen de wettelijke termijn plaatsvindt. De lichte gronden werden niet verder besproken omdat de zware gronden voldoende waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.