ECLI:NL:RBDHA:2025:713
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Polen op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen omdat Polen verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, dat buiten zitting kennelijk ongegrond is verklaard. Verzoeker heeft verzet aangetekend tegen deze uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht aan Polen te voorkomen.
De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang erkend vanwege de geplande overdracht op 14 januari 2025. De beoordeling richtte zich op de vraag of het verzet een redelijke kans van slagen heeft, waarbij alleen werd gekeken of de rechtbank terecht zonder zitting heeft beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen nieuwe feiten of argumenten heeft aangevoerd die twijfel kunnen doen ontstaan over de eerdere uitspraak. De rechtbank heeft de relevante juridische en feitelijke aspecten, waaronder het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het gebruik van standaardtekstblokken, voldoende gemotiveerd beoordeeld.
Verder weegt het belang van de minister om verzoeker over te dragen aan Polen zwaarder dan het belang van verzoeker om het verzet in Nederland af te wachten. Verzoeker kan zich vertegenwoordigen of digitaal deelnemen aan de zitting. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om overdracht aan Polen te voorkomen wordt afgewezen.