Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
22 januari 2025
Zaaknummer
NL24.3902
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72, vierde lid Algemene wet bestuursrechtRichtlijn 2011/95Europese Overeenkomst inzake overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek door nalaten informatie-uitwisseling met Griekenland

Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 7 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 29 januari 2024 af. De rechtbank behandelde het beroep eerst op 22 februari 2024 en hield de zaak vervolgens aan in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de rol van een eerder verleende vluchtelingenstatus in een andere lidstaat.

Na het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024 oordeelde de rechtbank dat de minister ten onrechte had aangenomen dat aan de samenwerkingsplicht was voldaan en dat het niet nodig was om het asieldossier in Griekenland op te vragen. Volgens het arrest moet de minister zo spoedig mogelijk informatie uitwisselen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder de vluchtelingenstatus heeft toegekend.

De minister had nagelaten deze informatie-uitwisseling tijdig te verrichten, waardoor het besluit een motiveringsgebrek vertoont. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en heeft op 7 december 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 29 januari 2024 (het bestreden besluit) afgewezen in de algemene asielprocedure als ongegrond. [2]
2. De rechtbank heeft het beroep eerst op 22 februari 2024 behandeld ter zitting. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), gemachtigde van eiser en gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten op de zitting.
2.1.
Op 30 april 2024 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de behandeling van het beroep van eiser aan te houden in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Eiser stelt dat hij een vluchtelingenstatus in Griekenland heeft en dat zijn Griekse vluchtelingenstatus een rol dient te spelen bij de onderhavige asielaanvraag. Over deze kwestie zijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) prejudiciële vragen gesteld. [3] Deze vragen zien op de vraag hoeveel vrijheid de minister heeft bij het beoordelen van een asielaanvraag als in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus aan een vreemdeling is toegekend en ook op de vraag hoe ver zijn onderzoeksplicht in dat geval reikt.
2.2.
Op 17 september 2024 heeft de rechtbank partijen bericht dat de prejudiciële vragen van de Afdeling zijn ingetrokken naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024, QY. [4] De minister heeft de rechtbank vervolgens per brief van 25 september 2024 verzocht om aanhouding van de zaak zodat hij nader onderzoek kan doen naar de internationale bescherming van eiser in Griekenland. Eiser heeft de rechtbank bericht dat hij belang heeft bij een spoedig oordeel over zijn overige beroepsgronden en hetgeen daarover op de zitting van 22 februari 2024 aan standpunten is uitgewisseld.
2.3.
Op 3 oktober 2024 heeft de rechtbank de minister een termijn van vier weken gegeven om nader onderzoek te doen in Griekenland voor wat betreft de internationale bescherming van eiser in Griekenland. Hierbij heeft de rechtbank vermeld dat een eventuele verlenging van deze termijn niet zal worden toegestaan.
2.4.
Op 9 december 2024 heeft de minister de rechtbank bericht dat hij inmiddels informatie heeft ontvangen van de Griekse autoriteiten. Hij heeft verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden voor een aanvullende periode van twaalf weken. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd.
2.5.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie voor onderhavige procedure. Verder beoordeelt de rechtbank de toepassing van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van de verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen waarop eiser een beroep heeft gedaan.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2024 behandeld ter zitting. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert allereerst aan dat in het bestreden besluit op onjuiste gronden is geconcludeerd dat de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van de verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (de overeenkomst) niet van belang is voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Volgens eiser had verweerder op basis van de overeenkomst eiser een asielvergunning dienen te verlenen. In ieder geval is in het bestreden besluit op onjuiste gronden geconcludeerd dat deze overeenkomst niet van belang is voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser en daarmee is er sprake van een motiveringsgebrek.
3.1.
De rechtbank oordeelt daarover als volgt. De overeenkomst is van toepassing op lidstaten die partij zijn bij dit verdrag. Omdat Griekenland het verdrag niet heeft geratificeerd, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op onderhavige zaak en behoeft de grond geen verdere bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser doet verder een beroep op de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023. Volgens eiser miskent de minister dat in die uitspraak
rechtsvragen zijn gesteld door de Afdeling over de betekenis van de aan eiser verleende
internationale bescherming in Griekenland. Het had op de weg van de minister gelegen om zich in Griekenland ervan te vergewissen waarom aan eiser in Griekenland internationale bescherming is verleend. De minister had dat bij de besluitvorming dienen te betrekken. Nu dit niet is gebeurd, behelst het besluit een motiveringsgebrek.
4.1.
De rechtbank overweegt eerst dat, naar aanleiding van het onder 2.2. aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024, ter zitting is vast komen te staan dat het besluit zoals het er nu voorligt, geen stand kan houden.
4.2.
In het arrest wordt ingegaan op de vraag of een Griekse vluchtelingenstatus een rol dient te spelen bij een asielaanvraag van dezelfde vreemdeling in een andere lidstaat. Het Hof van Justitie legt uit dat ieder verzoek om internationale bescherming op individuele basis beoordeeld moet worden. Dit vereist dat het verzoek individueel, objectief en onpartijdig moet worden onderzocht aan de hand van nauwkeurige en actuele informatie. Indien de asielzoeker overeenkomstig de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95 voldoet aan de voorwaarden om als vluchteling te worden beschouwd, moet die autoriteit hem de vluchtelingenstatus verlenen zonder over een discretionaire bevoegdheid te beschikken. Bij gevolg zijn nationale autoriteiten weliswaar niet verplicht om de vluchtelingenstatus van een verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status eerder bij beslissing van een andere lidstaat werd verleend, maar moeten deze niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat de minister, voor wat betreft de beoordeling van de relevante elementen van eisers asielaanvraag, ten onrechte heeft gesteld dat is voldaan aan de samenwerkingsplicht en er geen reden was om het asieldossier in Griekenland op te vragen. Op grond van het arrest, had de minister zo spoedig mogelijk informatie uit dienen te wisselen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder aan dezelfde verzoeker de vluchtelingenstatus had toegekend. Hij had Griekenland moeten verzoeken om binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover zij beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid. Omdat deze informatie-uitwisseling niet heeft plaats gevonden, heeft het besluit een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de minister op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze is.
5.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.267,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en twee maal aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 29 januari 2024;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.267,50,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3275.
4.ECLI:EU:C:2024:524.