Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel wegens vrees voor vervolging vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Hij stelde mishandeling en bedreiging te hebben ondervonden in Pakistan en vluchtte via Iran, Turkije en Griekenland naar Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees zijn aanvraag in de verlengde procedure af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn relaas.
De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser onder meer aanvoerde dat zijn verklaringen niet in voldoende mate rekening hielden met zijn culturele achtergrond, opleidingsniveau en de taboe rondom homoseksualiteit in Pakistan. Ook voerde hij aan dat de minister ten onrechte zijn verklaringen over relaties en kennis van de LHBTI-gemeenschap ongeloofwaardig had bevonden.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig achtte vanwege tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen. Het gebrek in de ondertekening van het besluit werd ambtshalve gepasseerd. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het terugkeerbesluit, met een proceskostenveroordeling van €453,50 ten laste van de minister.