ECLI:NL:RBDHA:2025:7312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
AWB 24-6988
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 RWNArt. 23 RWNArt. 4:2 AwbArt. 31 BvvNArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek naturalisatie wegens onvoldoende bewijs nationaliteit en identiteit

Eiser verzocht om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees het verzoek af omdat eiser niet voldeed aan het documentvereiste voor het aantonen van zijn identiteit en nationaliteit, zoals voorgeschreven in de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Handleiding RWN.

Eiser stelde dat hij bewijsnood had omdat hij geen geldig Tsjadisch paspoort kon verkrijgen, maar de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij al het mogelijke had gedaan om aan de benodigde documenten te komen. De door eiser overgelegde stukken, waaronder een mail van de Tsjadische ambassade, toonden niet aan dat het verkrijgen van een paspoort onmogelijk was.

Daarnaast stelde eiser dat de staatssecretaris op grond van het evenredigheidsbeginsel van het documentvereiste had moeten afwijken, gezien zijn langdurige verblijf en het ontbreken van enige nationaliteit. De rechtbank vond dat de staatssecretaris deze belangen voldoende had meegewogen en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die afwijking rechtvaardigen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/6988

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
1.1.
De staatssecretaris heeft het verzoek met het besluit van 24 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.3.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser om naturalisatie. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Uit artikel 7 van Pro de RWN, gelezen in samenhang met artikel 23 van Pro de RWN, artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN), volgt, voor zover van belang, dat bij de indiening van een naturalisatieverzoek in ieder geval gegevens moeten worden verstrekt over de volledige naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland en de nationaliteit. Volgens het beleid, neergelegd in de Handleiding RWN, moet het verzoek om naturalisatie zoveel mogelijk worden ondersteund met bewijsstukken. Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de verzoeker om naturalisatie, moeten documenten ter vaststelling van de nationaliteit en identiteit worden overgelegd. In paragraaf 3.5 van de Handleiding RWN wordt uitleg gegeven over de over te leggen documenten en over bewijsnood om (onder andere) een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. Uit paragraaf 3.5.1 van de Handleiding RWN volgt dat het doel van de documenteis is gelegen in het kunnen identificeren van de verzoeker, het kunnen vaststellen van zijn nationaliteit en verblijf en het vergelijken van de in het reisdocument vermelde personalia met de overlegde akte(n) van de burgerlijke stand. Kennis over de actuele nationaliteit van de te naturaliseren vreemdeling is noodzakelijk, omdat aan de hand daarvan wordt beoordeeld of de verzoeker na het verkrijgen van het Nederlanderschap afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Deze afstandsplicht is in beginsel een vereiste voor de naturalisatie.
4.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft eerder overwogen dat uit de RWN en de Handleiding RWN volgt dat het aan de verzoeker om naturalisatie is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en dat het aan de staatssecretaris is om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de betreffende verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. De staatssecretaris is niet zonder meer gebonden aan de door de verzoeker overgelegde documenten. De verlening van het Nederlanderschap is, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en de staatssecretaris is daarom bevoegd om te eisen dat de verzoeker om naturalisatie op de in de Handleiding RWN neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont, onder meer door het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument. [1] Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat van bewijsnood pas sprake is als met bewijsstukken is aangetoond dat degene die om naturalisatie verzoekt al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. [2] Daarbij geldt dat, als aan degene die een verzoek doet om hem het Nederlanderschap te verlenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, het uitgangspunt is dat zich geen asielgerelateerde gronden voordoen die meebrengen dat van hem niet kan worden gevergd naar zijn land van herkomst te reizen om daar een paspoort te verkrijgen. Eventuele asielmotieven die daarbij destijds aan de asielaanvraag ten grondslag zijn gelegd, kunnen in de naturalisatieprocedure niet alsnog worden beoordeeld. Dat betekent echter niet dat persoonlijke omstandigheden geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van een beroep op bewijsnood. [3]
Is sprake van bewijsnood?
5. Eiser betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte stelt dat van bewijsnood in zijn geval geen sprake is. De staatssecretaris onderbouwt onvoldoende dat eiser aan een Tsjadisch paspoort zou kunnen komen ter nadere onderbouwing van zijn nationaliteit dan wel dat dit van hem kan worden verlangd. Eiser is meerdere keren bij de ambassade geweest en hij wijst ter onderbouwing naar een visitekaartje van de ambassadeur en naar de mail van de Tsjadische ambassade waaruit blijkt dat de ambassade heeft gezegd dat een geboorteakte onvoldoende is om uit te gaan van Tsjadische nationaliteit. Hierdoor zal een laissez passer ook niet worden afgegeven, omdat voor de afgifte van een laissez passer de identiteit en nationaliteit vast moeten staan. Eiser heeft geen andere documenten, waardoor hij op basis van zijn geboorteakte dus nooit zijn nationaliteit geregistreerd zal krijgen en dus ook geen paspoort zal krijgen. Verder wijst eiser erop dat hij met een vreemdelingenpaspoort niet naar Tsjaad kan reizen.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zich niet met succes kan beroepen op bewijsnood voor het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument. Uit de door eiser overgelegde mail van de Tsjadische ambassade van 20 januari 2025 volgt niet dat het voor eiser niet mogelijk is om een geldig Tsjadisch paspoort te verkrijgen of dat de Tsjadische autoriteiten weigeren aan eiser een paspoort te verstrekken. Uit de mail van de Tsjadische ambassade volgt dat een geboorteakte onvoldoende is om uit te gaan van de Tsjadische nationaliteit, maar de staatssecretaris stelt terecht dat deze mail geen afwijzing betreft voor de afgifte van een laissez passer. Verder volgt uit de mail van de ambassade dat eiser een nieuw verzoek kan indienen met andere documenten die de nationaliteit kunnen onderbouwen en dat de ambassade zich het recht voorbehoudt om het verzoek bij gebrek aan betrouwbare bewijsstukken af te wijzen. De door eiser overgelegde mail van de ambassade is het eerste stuk wat eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van de door hem ondernomen pogingen. Daarmee is nog niet gebleken dat eiser al het mogelijke heeft gedaan om aan documenten te komen. Van eiser mag worden verwacht dat, voordat bewijsnood kan worden aangenomen, hij zich ten volle inspant om aan de voor de verkrijging van een paspoort benodigde stukken te komen. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser niet conform de mail van de ambassade een nieuw verzoek heeft gedaan. Dat eiser stelt vele pogingen te hebben ondernomen en eerder bij de ambassade is geweest, maakt het oordeel niet anders, omdat dit niet is onderbouwd. Uit het door eiser overgelegde visitekaartje blijkt niet wanneer eiser naar de ambassade is geweest en wat er is besproken. Eiser heeft ook geen officiële stukken overgelegd waaruit blijkt dat National Agency for Secure Titles (ANATS) eiser niet verder kunnen helpen bij het indienen van een paspoortaanvraag. De stelling van eiser dat hij met een vreemdelingenpaspoort niet naar Tsjaad kan reizen, slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij geen (tijdelijk) reisdocument kan krijgen van de Tsjadische autoriteiten.
Had de staatssecretaris aanleiding moeten zien om op grond van het evenredigheidsbeginsel af te wijken van het documentvereiste?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris op grond van het evenredigheidsbeginsel had moeten beoordelen of aanleiding bestaat om van het documentvereiste af te wijken, omdat de Handleiding een beleidsregel is waarvan kan worden afgeweken. De staatssecretaris heeft daarnaast ten onrechte onvoldoende waarde gehecht aan eisers belangen. Eiser woont al zeer lange tijd in Nederland en kan zich op dit moment niet beroepen op enige nationaliteit.
6.1.
In de uitspraak van deze rechtbank van 30 april 2024 [4] komt de rechtbank tot het oordeel dat het documentvereiste niet volgt uit de RWN zelf, maar berust op een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zodat de artikelen 3:4, tweede lid, en artikel 4:84 van Pro de Awb van toepassing zijn. Hierbij wijst de rechtbank ook op een recente uitspraak van de Afdeling [5] en op het feit dat in de Handleiding RWN [6] expliciet staat vermeld dat wanneer geen bewijsnood wordt aangenomen, beoordeeld kan worden of het naturalisatieverzoek met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb kan worden ingewilligd.
6.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De staatssecretaris heeft in de beoordeling kenbaar meegewogen of de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het documentvereiste te dienen doelen. [7] De staatssecretaris heeft de lange verblijfsduur van eiser in Nederland, het op dit moment niet kunnen beroepen op enige nationaliteit en dat bij een afwijzing eiser zijn verbondenheid met Nederland niet bevestigd kan krijgen, betrokken in de besluitvorming. Ook heeft de staatssecretaris de gevolgen voor zijn stemrecht en familierechtelijke relaties en dat het voor eiser belangrijk is om te weten bij een land te horen wat door de afwijzing van het verzoek onmogelijk is, betrokken in de besluitvorming. In wat eiser heeft aangevoerd heeft de staatssecretaris, gelet op wat onder 5.1 is overwogen, terecht geen bijzondere omstandigheden hoeven aannemen als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb om in afwijking van het beleid het verzoek om verlening van het Nederlanderschap toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Berendsen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4642, ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:851, ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501, en ABRvS 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2065 en ABRvS 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2474.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566.
4.Rechtbank Gelderland 30 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2584, r.o. 9.
5.ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1597, onder 5.1. Zie ook ABRvS 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4642 overweging 5.2.
6.Paragraaf 3.5.6 van de Handleiding RWN.
7.Artikel 4:84 van Pro de Awb.