ECLI:NL:RBDHA:2025:7378
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging omgevingsvergunningen wegens onvoldoende motivering parkeereisen en ruimtelijke belangenafweging
De rechtbank Den Haag behandelde beroepen tegen drie besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag betreffende omgevingsvergunningen voor het veranderen van een kantoor in een restaurant, een seizoensgebonden horecaterras en een terrasvergunning op grond van de APV.
De beroepen tegen de omgevingsvergunningen werden gegrond verklaard omdat het college onvoldoende had gemotiveerd dat aan de parkeereisen voor auto’s en (brom-)fietsparkeren werd voldaan. Het college ging ten onrechte uit van een verblijfstijd van meer dan twee uur, waardoor de externe parkeergelegenheid op maximaal 500 meter afstand niet passend was. Ook was het college tekortgeschoten in de belangenafweging bij het afwijken van het bestemmingsplan, mede door een onjuiste toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
Het beroep tegen de APV-terrasvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze vergunning was ingetrokken, waardoor het procesbelang verviel. De rechtbank droeg het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepaalde dat het griffierecht aan eisers wordt vergoed.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunningen vanwege onvoldoende motivering en belangenafweging en verklaart het beroep tegen de APV-terrasvergunning niet-ontvankelijk.