De rechtbank Den Haag behandelde op 26 maart 2025 een verzoek tot voorlopige voorziening betreffende het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Zowel de vrouw als de man verzochten elk om het uitsluitend gebruik van de woning toe te wijzen, met het bevel dat de wederpartij de woning dient te verlaten en niet mag betreden.
De rechtbank constateerde dat beide partijen een gelijkwaardige positie op de woningmarkt hebben en beperkte alternatieven voor onderdak. De financiële draagkracht van partijen was daarom doorslaggevend. De man, met een eigen onderneming, beschikte over meer financiële mogelijkheden dan de vrouw, die studeert en deeltijd werkt.
Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek van de vrouw toe en bepaalde dat de man de woning dient te verlaten. Het verzoek om het uitsluitend gebruik inclusief de inboedel toe te wijzen werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.