In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie het asielverzoek van de eiser op 19 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft op 30 april 2025 geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is omdat de bodemzaak reeds is beslist in een aanverwante zaak met nummer NL24.51027. Om die reden is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wel is de minister veroordeeld tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand door een derde. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.