ECLI:NL:RBDHA:2025:7414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
NL24.51028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na bodemuitspraak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie het asielverzoek van de eiser op 19 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft op 30 april 2025 geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is omdat de bodemzaak reeds is beslist in een aanverwante zaak met nummer NL24.51027. Om die reden is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond.

Wel is de minister veroordeeld tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand door een derde. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 907 aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51028

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort totdat er op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 30 april 2025, zaaknummer NL24.51027, heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 907 (negenhonderdzeven euro) aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.