ECLI:NL:RBDHA:2025:7445
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen beëindiging Rva-verstrekkingen
Verzoeker had beroep ingesteld tegen de beëindiging van de Rva-verstrekkingen per 8 augustus 2024 en daarbij een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter bepaalde op 7 augustus 2024 dat de beëindiging van de verstrekkingen werd opgeschort totdat op het bezwaar van verzoeker tegen de ambtshalve afwijzing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 was beslist.
Naar aanleiding van deze uitspraak trok verzoeker het beroep in en verzocht het COA te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank overwoog dat hoewel verzoeker materieel het beoogde doel had bereikt, dit niet het gevolg was van een handeling of besluit van het COA. Daarom kon niet worden gesproken van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet toewijsbaar was en wees het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om het COA te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen omdat het COA niet aan verzoeker is tegemoetgekomen.