Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 lid 3 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na bodemuitspraak
Verzoeker heeft tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep ingesteld inzake de afwijzing van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Daarnaast heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien de eerdere uitspraak van de rechtbank op 26 januari 2023 in de bodemzaak (zaaknummer NL22.5085) is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens veroordeelt hij de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand door een derde.
De uitspraak is op 1 mei 2025 gedaan en openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 907.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL21.17318
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing om hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 te verlenen ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van 26 januari 2023, zaaknummer NL22.5085, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907 (negenhonderdzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.