Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:7507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
C/09/682348/KG RK 25-398
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen een rechter in een civiele procedure, stellende dat de rechter een voorlopig oordeel had uitgesproken zonder alle argumenten te hebben gehoord en dat de rechter een intimiderende en ongelijkwaardige indruk maakte. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en stelde vast dat het proces-verbaal het juiste beeld geeft van de zitting en dat het voorlopige oordeel geen grond voor wraking kan zijn.

De wrakingskamer benadrukte dat wraking alleen mogelijk is bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid vormen. Het enkele feit dat de rechter een voorlopig oordeel gaf en kritische vragen stelde, is onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. Verzoekster had de mogelijkheid om onjuistheden in het proces-verbaal tijdig te melden, maar heeft dit nagelaten.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat en wees het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/15
zaak- /rekestnummer: C/09/682348 / KG RK 25-398
Beslissing van 28 april 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] , België,
hierna te noemen: verzoekster,
bijgestaan door mr. F.L.P. Vulto, advocaat te Den Haag,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Nobel,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 14 maart 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 13 april 2025.
1.2.
Op 14 april 2025 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- mrs. F.L.P. Vulto, [naam 1] en [naam 2] , namens verzoekster;
- mrs. [naam 3] en [naam 4] , namens de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11279831 RL EXPL 24-16297 tussen verzoekster en [bedrijf] B.V. In die zaak heeft op
13 maart 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en de toelichting bij de mondelinge behandeling het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft zonder voorbehoud een voorlopig oordeel uitgesproken en is daarmee vooruitgelopen op het oordeel in de hoofdzaak. De rechter gaf dit voorlopig oordeel nog voordat de behandeling van alle argumenten en bewijsstukken had plaatsgevonden. Zij vroeg daarvoor geen toestemming aan partijen. Het voorlopig oordeel was mede gebaseerd op giswerk en aannames. Daarnaast heeft de rechter, door bepaalde opmerkingen te maken, een intimiderende en ongelijkwaardige indruk gemaakt op verzoekster. Het was tijdens de behandeling van de zaak door de opstelling van de rechter glashelder wat haar oordeel was en dat heeft ze later ook uitgesproken in het voorlopig oordeel.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat zij van oordeel is dat de reactie van de rechter, die de dag voor de zitting door de wrakingskamer is ontvangen, gelet op het moment waarop het wrakingsverzoek is gedaan, weliswaar laat en in die zin ongelukkig te noemen is, maar dat dit, anders dan verzoekster heeft betoogd, geen strijd met de goede procesorde oplevert. Er bestaat geen fatale termijn voor het indienen van een reactie en het stuk is van een beperkte omvang. De wrakingskamer zal deze reactie dan ook bij de beoordeling van het wrakingsverzoek betrekken.
3.3.
Vervolgens stelt de wrakingskamer vast dat in het proces-verbaal is vermeld dat de rechter een voorlopig oordeel heeft gegeven. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de inhoud van een voorlopig oordeel geen grond voor wraking kan opleveren. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een (voorlopig) oordeel. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing dan wel het voorlopig oordeel in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.2.
Deze uitzonderingssituatie doet zich naar het oordeel van de wrakingskamer hier echter niet voor. De wrakingskamer neemt daarbij tot uitgangspunt dat het proces-verbaal van de zitting de kenbron is van hetgeen op de zitting heeft plaatsgevonden. Ter zitting bij de wrakingskamer heeft verzoekster gesteld dat het proces-verbaal niet een volledige en juiste weergave van het besprokene is. Anders dan weergegeven in het proces-verbaal, waren verschillende uitlatingen van de rechter volgens verzoekster stelliger en niet in de vragende vorm. Het had echter op de weg van verzoekster gelegen om gebruik te maken van de in het proces-verbaal geboden mogelijkheid om onjuistheden in het proces-verbaal tijdig kenbaar te maken aan de rechtbank. Het is niet aan de wrakingskamer om vast te stellen wat er op een zitting is gezegd. De omstandigheid dat het proces-verbaal eerst dertien dagen na de zitting is opgesteld, geeft geen aanleiding voor de wrakingskamer om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal.
3.3.
De door verzoekster beschreven gang van zaken vindt onvoldoende steun in het proces-verbaal. In het proces-verbaal ziet de wrakingskamer geen aanknopingspunten voor het betoog van verzoekster dat de toonzetting van de rechter dermate stellig was dat daar vooringenomenheid uit spreekt. Het behoort tot de taak van een rechter om tijdens de zitting nader onderzoek te verrichten door middel van het stellen van (kritische) vragen en het maken van kritische kanttekeningen. Een rechter kan daarbij een actieve houding aannemen en heeft daarbij een zekere mate van vrijheid. Een rechter kan in dat opzicht ook kiezen voor het geven van een voorlopig oordeel, ook als partijen daar niet om hebben verzocht. Uit het proces-verbaal volgt dat partijen hun standpunten hebben kunnen toelichten aan de hand van pleitaantekeningen en dat de rechter (kritische) vragen heeft gesteld. Pas nadat partijen hun standpunten hadden toegelicht en hadden gereageerd op de vragen van de rechter en dus na afronding van de bespreking van de zaak, heeft de rechter met enige stelligheid een voorlopig oordeel gegeven. Bij die stand van zaken is er geen aanleiding voor de conclusie dat de rechter blijk heeft gegeven van vooringenomenheid.
3.4.
Gelet op het voorgaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar advocaat mr. F.L.P. Vulto;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, E.E. Schotte en D.E. Alink, in tegenwoordigheid van de griffier A. Badermann en in het openbaar uitgesproken op
28 april 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.