De minister van Asiel en Migratie legde op 18 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 24 april 2025 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 29 april 2025 via beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat hij ten onrechte in bewaring was gesteld omdat hij nooit asiel had willen aanvragen en dat zijn identiteit reeds bekend was door een strafrechtelijke aanhouding. De rechtbank oordeelde dat eiser expliciet een asielaanvraag had gedaan tijdens een gehoor met beëdigde tolk, en dat de minister de maatregel terecht op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, had genomen. Tevens mocht de minister de informatie over identiteit uit het strafrechtelijke kader als uitgangspunt nemen.
Verder stelde eiser dat de maatregel te laat was omgezet nadat hij zijn asielaanvraag had ingetrokken. De rechtbank stelde vast dat de intrekking pas op 22 april 2025 bekend werd bij de minister en dat de maatregel op 24 april 2025 werd omgezet, wat binnen de wettelijke termijn van 48 uur viel. De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.