ECLI:NL:RBDHA:2025:7689
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing verlenging beslistermijn vreemdelingenwet ongegrond verklaard
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzet tegen de uitspraak van 9 december 2024, waarin de rechtbank het verzoek van opposant tot proceskostenvergoeding afwees. Opposant stelde dat de brief van 11 juli 2024, waarin de minister aangeeft dat de beslissing op de aanvraag langer duurt, niet als een geldige verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 2u, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kon worden beschouwd. Volgens opposant was de minister daardoor rechtsgeldig in gebreke gesteld en was het beroep ontvankelijk.
De rechtbank oordeelde echter dat uit de brief duidelijk volgt dat de beslistermijn met ongeveer dertien weken is verlengd, wat in lijn is met de wettelijke mogelijkheid tot verlenging van ten hoogste drie maanden. Ook het argument dat verlenging niet meer mogelijk zou zijn nadat bij ontvangstbevestiging geen verlenging was gekozen, werd verworpen op grond van de tekst van artikel 2u, eerste lid, Vw.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak van 9 december 2024 in stand blijft. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat het beroep niet-ontvankelijk was wegens prematuur ingediende ingebrekestelling. De uitspraak is gedaan zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro, omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst van de zaak.
De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de verlenging van de beslistermijn door de minister wordt bevestigd.