ECLI:NL:RBDHA:2025:7752
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over ontslag en vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Eiser was ambtenaar bij de Koninklijke Marechaussee en kreeg in 2020 eervol ontslag na verlenging van zijn aanstelling. Hij voerde bezwaar aan tegen besluiten omtrent zijn ontslag en proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat verweerder een gebrek in het eerste bestreden besluit moest herstellen. Verweerder trok dit besluit in en nam een nieuw besluit (bestreden besluit 2).
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk was geworden door intrekking. Het tweede besluit was inhoudelijk gemotiveerd, waarbij verweerder stelde dat eiser vanwege gedragingen tijdens een alcoholcontrole niet geschikt was voor de functie van opsporingsambtenaar. De rechtbank vond deze motivering toereikend en verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie jaar, waarvoor verweerder en de Staat gezamenlijk een schadevergoeding aan eiser moeten betalen. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, waarbij een forfaitaire proceskostenvergoeding werd toegekend. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van werkelijke proceskosten af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Beroep tegen eerste besluit niet-ontvankelijk, beroep tegen tweede besluit ongegrond; verweerder en Staat veroordeeld tot proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.