ECLI:NL:RBDHA:2025:7795
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 11 april 2025 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze ophouding en voerde aan dat hij onrechtmatig was opgehouden omdat de beschikking tot intrekking van zijn rechtmatig verblijf van 28 augustus 2023 nooit aan hem was uitgereikt.
De rechtbank stelde vast dat eiser vrijwillig meegegaan was naar het politiebureau voor betekening van de beschikking. Tijdens de ophouding bleek uit politiesystemen dat hij geen rechtmatig verblijf had, waarop hij staande werd gehouden en opgehouden. Verweerder heeft de beschikking alsnog uitgereikt en de ophouding beëindigd toen eiser aantoonde rechtmatig verblijf te hebben.
De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 50, derde lid, Vw was voldaan omdat de identiteit van eiser onmiddellijk kon worden vastgesteld en uit de systemen bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had. De rechtbank verwierp het verweer dat ophouding niet mocht plaatsvinden omdat de beschikking nog niet was uitgereikt, en benadrukte dat de ophouding bedoeld is voor nader onderzoek naar verblijfsrechtelijke positie. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan door rechter Adriaansen op 2 mei 2025 in Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 is ongegrond verklaard.