ECLI:NL:RBDHA:2025:7805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
C/09/676382 / HA RK 24-631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Decreet 276 Syrië 1969Art. 8 lid 1 Wet op het Turkse staatsburgerschapArt. 11 e.v. Wet op het Turkse staatsburgerschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond

Verzoekster, geboren in Syrië in 1993 en van Palestijnse afkomst, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar staatloosheid. Zij is in 2013 gevlucht naar Turkije, trouwde daar in 2016 met een Syrische man en kwam in 2021 naar Nederland, waar zij een verblijfsvergunning kreeg. De rechtbank heeft het verzoek op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid beoordeeld.

De rechtbank heeft de nationaliteitsstatus van verzoekster onderzocht ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen uit die gebieden als staatloos gelden. De Syrische nationaliteitswetgeving maakt het onwaarschijnlijk dat verzoekster via haar ouders of huwelijk de Syrische nationaliteit heeft verkregen, mede omdat zij niet rechtmatig samen met haar echtgenoot in Syrië heeft gewoond. Ook de Turkse nationaliteit is niet aannemelijk, aangezien zij slechts een tijdelijke verblijfsvergunning bezat en niet voldeed aan de voorwaarden voor naturalisatie.

Gezien het ontbreken van bewijs dat verzoekster door enige staat als onderdaan wordt beschouwd, heeft de rechtbank haar staatloosheid vastgesteld. De beschikking is zonder mondelinge behandeling genomen, met instemming van partijen.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-631
Zaaknummer: C/09/676382
Datum beschikking: 7 mei 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 21 november 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: J. Laros.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 17 maart 2025, met bijlagen, van de Staat;
- de brief van 18 maart 2025, met bijlagen, van verzoekster;
- de brief van 7 april 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 15 april 2025 van verzoekster;
- het e-mailbericht van 15 april 2025 van de Staat.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , Syrië.
- Verzoekster is in oktober/november 2013 vanuit Syrië naar Turkije gevlucht.
- Verzoekster is in 2016 in Turkije gehuwd met haar echtgenoot die de Syrische
nationaliteit heeft.
- Verzoekster is in 2021 vanuit Turkije naar Nederland gekomen.
- Aan verzoekster is op 15 december 2021 een verblijfsvergunning verleend op
grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, geldig van 20 november
2021 tot 20 november 2026. De nationaliteit van verzoekster is hierbij niet komen
vast te staan en is daarom in de basisregistratie personen geregistreerd als
‘onbekend’.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende door Bureau Documenten van de IND
echt bevonden documenten:
- Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, afgegeven op 29 september 2015, geldig tot 28 september 2021;
- Individueel uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen uit Syrië, afgegeven op 30 december 2021;
- Digitale familieregistratiekaart van UNRWA, afgegeven op 21 juni 2023;
- Familie uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen uit Syrië;
- Paspoort afgegeven door de Palestijnse autoriteit, afgegeven op 7 mei 2019 en geldig tot 6 mei 2024.
- Verzoekster is in het bezit van een kopie van een tijdelijke verblijfsvergunning die zij in Turkije had en een kopie van een uittreksel van het bevolkingsregister van Turkije.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt van Palestijnse afkomst te zijn, verzoekster tot medio 2013 in Syrië heeft gewoond en verzoeker van medio 2013 tot aan het inreizen in Nederland in Turkije heeft verbleven.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden – is het aannemelijk dat verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft. Hiertoe geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder kan hebben verkregen.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Verzoekster is gehuwd met een man met de Syrische nationaliteit. Op grond van voornoemde wetgeving kan een vreemdelinge die met een man trouwt die de Syrische nationaliteit heeft de Syrische nationaliteit verkrijgen indien zij (onder meer( ten mnste twee jaar met hem getrouwd is geweest en gedurende die periode rechtmatig in Syrië heeft gewoond.
Uit het advies van de Staat van 17 maart 2025 blijkt dat de Staat er ambtshalve mee bekend is dat verzoekster en haar echtgenoot na het uitbreken van de oorlog in Syrië in oktober/november 2013, apart van elkaar naar Turkije zijn gevlucht. Zij hebben elkaar in Turkije leren kennen en zijn daar getrouwd in maart 2016. Uit de verklaringen die door de echtgenoot van verzoekster zijn afgelegd tijdens de asielprocedure blijkt dat hij in 2017 is teruggestuurd naar Syrië, waarna hij na ongeveer 20 dagen weer is teruggekeerd naar Turkije. Verzoekster verbleef tijdens deze periode in Turkije. De echtgenoot van verzoekster is in 2020 naar Nederland gekomen en heeft hier asiel aangevraagd. Verzoekster is in het kader van nareis in 2021 ook naar Nederland gekomen.
Gelet op het vorenstaande deelt de rechtbank het standpunt van de Staat dat het niet aannemelijk is dat verzoekster na haar huwelijk twee jaar rechtmatig én samen met haar echtgenoot in Syrië heeft gewoond. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoekster op grond van haar huwelijk met een Syrische man de Syrische nationaliteit heeft verkregen.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw).
Van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Turkse nationaliteit heeft. Dit wordt nog ondersteund door het feit dat verzoekster in Turkije in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoekster door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoekster kan worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand, als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2025.