ECLI:NL:RBDHA:2025:7806
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar als gevolg van betrokkenheid bij Gülenbeweging
Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht asiel met het argument dat hij vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging vervolgd zou worden bij terugkeer naar Turkije. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een reëel risico op vervolging of ernstige schade.
De rechtbank behandelde het beroep in meerdere zittingen, waarbij onder meer een proces-verbaal van huiszoeking werd onderzocht door Bureau Documenten (BDoc). Dit proces-verbaal werd waarschijnlijk als niet echt beoordeeld. De rechtbank maakte gebruik van haar bevoegdheid om vertrouwelijke stukken in te zien en oordeelde dat het belang van bescherming van BDoc's onderzoeksmethoden zwaarder woog dan het belang van eiser bij volledige inzage.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op vervolging vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De Turkse jurisprudentie en recente ontwikkelingen tonen aan dat vervolging niet op groepsniveau plaatsvindt en dat er meer rechterlijke bescherming is. Ook de vrees voor maatschappelijke uitsluiting werd niet aannemelijk geacht, omdat eiser in het verleden op reguliere wijze aan het maatschappelijk leven kon deelnemen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.