ECLI:NL:RBDHA:2025:783
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was en dat hij onmenselijk behandeld was door de Bulgaarse autoriteiten, wat volgens hem aanleiding was voor Nederland om de aanvraag zelf te behandelen.
De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. De minister had in het voornemen en het bestreden besluit de redenen voor het niet in behandeling nemen duidelijk gemaakt en had alle relevante elementen betrokken, waaronder de verklaringen van eiser. De rechtbank vond geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser zich niet verzette tegen het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Nederland hanteert bij de Dublinprocedure. De door eiser gestelde omstandigheden, zoals detentie en vernederende behandeling in Bulgarije, waren onvoldoende onderbouwd om Nederland te verplichten de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht had geoordeeld dat de omstandigheden geen reden gaven om af te wijken van de standaardprocedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.