ECLI:NL:RBDHA:2025:785

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
NL24.51021
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van zware gronden in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 18 december 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op basis van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser stelde dat de minister de zware grond 3a (niet op voorgeschreven wijze binnenkomen) niet terecht had toegepast, omdat hij zich direct na aankomst had gemeld voor een asielaanvraag. Ook betwistte hij de toepassing van zware gronden 3k en 3m met betrekking tot medewerking aan overdracht en noodzakelijkheid van onmiddellijke overdracht. De rechtbank oordeelde dat eiser niet beschikte over de vereiste reisdocumenten bij binnenkomst en dat de minister daarom terecht zware grond 3a toepaste. De lichte gronden 4a, 4c, 4d en 4e waren niet betwist en samen met zware grond 3a voldoende voor de maatregel.

De rechtbank zag geen reden om de rechtmatigheid van de maatregel ambtshalve te betwijfelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51021

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
Eiser betoogt dat de minister de zware grond 3a niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Daartoe voert eiser aan dat hij zich na aankomst in Nederland onmiddellijk heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Daarnaast voert eiser aan dat de zware grond 3k hem niet kan worden tegengeworpen. Zoals eiser op zitting heeft toegelicht, heeft hij zich op 31 oktober 2024 wel degelijk bij zijn asielopvang gemeld om naar Schiphol te worden gebracht, vanwaar hij naar Oostenrijk zou vliegen en daar aan de autoriteiten zou worden overgedragen. Tot slot betwist eiser de zware grond 3m. Hoewel de minister een (nieuwe) vlucht naar Wenen had geboekt voor 20 december 2024, is deze niet doorgegaan. De minister heeft vervolgens niet toegelicht waarom deze vlucht niet is doorgegaan.
1.1.1.
Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister de zware grond 3a terecht tegen aan eiser, omdat deze feitelijk juist is. Eiser beschikte namelijk niet over de benodigde reisdocumenten, zoals paspoort en visum, toen hij Nederland inreisde. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dat eiser na aankomst in Nederland onmiddellijk een asielaanvraag heeft ingediend, maakt niet dat de zware grond 3a hem niet kan worden tegengeworpen.
1.2.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser de lichte gronden 4a, 4c, 4d en 4e niet heeft betwist. De zware grond 3a en de niet betwiste lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser heeft aangevoerd over de zware gronden 3k en 3m zal de rechtbank daarom niet verder bespreken. Dat eiser, zoals hij stelt, op 31 oktober 2024 niet naar Schiphol is gevoerd vanwege verkeerde informatie van de zijde van het COA (dat hem had gezegd in zijn kamer te blijven tot hij opgehaald zou worden) maakt nog niet dat de minister een lichter middel had moeten toepassen door hem nogmaals de gelegenheid te bieden om zich vrijwillig te melden. Er zijn namelijk genoeg gronden voor de bewaring en de minister heeft er belang bij om te waarborgen dat eiser daadwerkelijk vóór het einde van de overdrachtstermijn zal worden overgedragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.