ECLI:NL:RBDHA:2025:7920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18656
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiseres, een Poolse vrouw, kreeg op 22 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd vanwege het risico dat zij zich aan toezicht zou onttrekken en de voorbereiding van haar vertrek of uitzettingsprocedure zou belemmeren. Zij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank stelde vast dat eiseres de gronden voor de bewaring niet betwistte en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. Eiseres voerde aan dat een lichter middel passend was, omdat zij bereid was zelfstandig te vertrekken en financiële ondersteuning van haar ouders had. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was, mede gezien het feit dat eiseres na het verwijderingsbesluit niet zelfstandig was vertrokken.

Ook bleek uit de ambtshalve toetsing dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18656

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Zij heeft op 24 april 2025 de gronden van beroep ingediend. Op 28 april 2025 heeft de rechtbank een verweerschrift ontvangen.
Op 7 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Poolse nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
4. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Zij had in de gelegenheid moeten worden gesteld om Nederland zelfstandig te verlaten. Haar ouders kunnen haar daar financieel bij ondersteunen. Verder is zij niet eerder in bewaring gesteld. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de toepassing van het lichter middel.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarbij is op 13 maart 2025 het verwijderingsbesluit van 30 april 2024 aan eiseres uitgereikt. Eiseres is tot aan de oplegging van de maatregel van bewaring, op enkele dagen na, niet zelfstandig teruggekeerd naar Polen. Verder is niet gebleken dat persoonlijke omstandigheden aanwezig zijn die de bewaring onevenredig bezwarend maken.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.