Eiser, van Poolse nationaliteit, is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. Hij betoogt dat hij na het verwijderingsbesluit van 4 april 2023 opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen vanwege materiële wijziging van omstandigheden, waaronder een vaste verblijfplaats en een onderneming in de ijzerhandel. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken of verklaringen, en dat het verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is.
De minister heeft als zware en lichte gronden voor de inbewaringstelling genoemd dat eiser zich aan toezicht heeft onttrokken, niet aan de vertrekplicht heeft voldaan, geen vaste woonplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan bezit. Eiser betwist deze gronden niet en de rechtbank acht deze voldoende om de maatregel te dragen.
Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast en dat hij zelfstandig met zijn partner naar Polen wil vertrekken. De rechtbank oordeelt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het risico op onttrekking aan toezicht blijft bestaan. Ook het betoog over onvoldoende medische zorg in detentie wordt niet gevolgd, omdat de zorg gelijkwaardig is aan die in vrijheid en eiser dit niet met stukken heeft onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat de inbewaringstelling rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.