ECLI:NL:RBDHA:2025:7937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
NL 25.7569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.A.J. de Jong - Nibourg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid inbewaringstelling en verwijderingsbesluit vreemdeling

Eiser, van Poolse nationaliteit, is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. Hij betoogt dat hij na het verwijderingsbesluit van 4 april 2023 opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen vanwege materiële wijziging van omstandigheden, waaronder een vaste verblijfplaats en een onderneming in de ijzerhandel. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken of verklaringen, en dat het verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is.

De minister heeft als zware en lichte gronden voor de inbewaringstelling genoemd dat eiser zich aan toezicht heeft onttrokken, niet aan de vertrekplicht heeft voldaan, geen vaste woonplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan bezit. Eiser betwist deze gronden niet en de rechtbank acht deze voldoende om de maatregel te dragen.

Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast en dat hij zelfstandig met zijn partner naar Polen wil vertrekken. De rechtbank oordeelt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het risico op onttrekking aan toezicht blijft bestaan. Ook het betoog over onvoldoende medische zorg in detentie wordt niet gevolgd, omdat de zorg gelijkwaardig is aan die in vrijheid en eiser dit niet met stukken heeft onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de inbewaringstelling rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Hrazdij. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

Vooraf
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
De wettelijke grondslag
2. Eiser voert allereerst aan dat hij niet op een juiste wettelijke grondslag in bewaring is gesteld. Anders dan de minister stelt heeft hij immers wel degelijk rechtmatig verblijf in Nederland. Daartoe stelt eiser dat hij na het verwijderingsbesluit van 4 april 2023 opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen omdat de omstandigheden waaronder hij nu in Nederland verblijft, materieel anders zijn dan ten tijde van het verwijderingsbesluit. Zo heeft hij nu een vaste verblijfplaats aan de [adres] te [woonplaats] en heeft hij met zijn partner een bedrijfje in de ijzerhandel. Samen halen ze oud ijzer op en dat verkopen ze. Op die manier verdienen eiser en zijn partner hun inkomen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 22 juni 2021 in de zaak F.S. (ECLI:EU:C:2021:506) stelt eiser dat hij door deze materiële wijziging van de omstandigheden zijn eerdere verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
2.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals de minister ter zitting terecht heeft opgemerkt ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er zich een materiële wijziging heeft voorgedaan in de omstandigheden. Hierin is eiser niet geslaagd. Hij heeft immers zijn stellingen op geen enkele manier onderbouwd. Documenten of verklaringen van derden over zijn nieuwe verblijfsplaats ontbreken en daar komt bij dat het door eiser genoemde adres niet voorkomt in de Brp en dat eiser nog altijd staat ingeschreven in de Registratie Niet-Ingeschrevenen (RNI). Ook van de nieuwe onderneming in de ijzerhandel heeft eiser geen bewijsstukken overgelegd. Datzelfde geldt voor zijn gestelde terugkeer naar Polen. Ook daarvan ontbreekt elke onderbouwing. De enkele stelling dat hij ruim twee maanden is teruggekeerd naar Polen en dat de omstandigheden waaronder hij nu in Nederland verblijft anders zijn dan ten tijde van het verwijderingsbesluit, is onvoldoende om hem daarin te volgen.
2.2.
Het voorgaande betekent dat het verwijderingsbesluit van 4 april 2023 nog steeds geldt en niet aannemelijk is geworden dat eiser nadien opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen. Daarmee is eiser op de juiste wettelijke grondslag in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
De zware en lichte gronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet betwist en dat eiser ook niet betwist dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Artikel 59, derde lid, van de Vw 2000
4. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000. Hij wijst er daarbij op dat hij samen met zijn partner vrijwillig naar Polen wil gaan en dat ze daarvoor ook de middelen hebben. Op hun vaste verblijfsplaats in Zaandam ligt € 1.000,00 aan contant geld. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld zelfstandig naar Polen te vertrekken.
4.1.
Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. De minister heeft zich ter zitting in reactie hierop terecht op het standpunt gesteld dat eiser met deze enkele verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk zelfstandig naar Polen zal vertrekken. De minister heeft terecht erop gewezen dat het verwijderingsbesluit al dateert van 4 april 2023 en dat dit eerder ook niet heeft geleid tot het zelfstandige vertrek van eiser. Gelet hierop is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 niet voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het lichter middel
5. Ook het betoog van eiser dat de minister had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel dat de inbewaringstelling, volgt de rechtbank niet. Reden daarvoor is dat de minister zich terecht en afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Daarbij heeft te gelden dat de gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. Ook is in dit kader van belang dat eiser niet overtuigend heeft gesteld dat een lichter middel voor de daadwerkelijke effectuering van zijn vertrek kan volstaan. Evenmin heeft hij bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Zo is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling expliciet aan eiser gevraagd of er sprake is van bijzondere omstandigheden waarom eiser niet in bewaring zou moeten worden gesteld. Eiser heeft daarop geen bijzonderheden naar voren gebracht die voor de minister aanleiding hadden moeten vormen een lichter middel dan de inbewaringstelling toe te passen. Dat hij heeft verklaard zelfstandig met zijn partner te willen vertrekken, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat in weerwil van het hiervoor geschetste onttrekkingsrisico een lichter middel moet worden toegepast.
5.1.
Ter zitting heeft eiser zich ook op het standpunt gesteld dat de medische zorg die hij in detentie ontvangt niet toereikend is. Zo heeft hij toegelicht dat hij voorafgaand aan zijn inbewaringstelling aanwezig was bij een brand op een boot en dat hij daarbij brandwonden heeft opgelopen op zijn arm en bovenlijf. Eiser stelt dat hij in het detentiecentrum in het kader van de behandeling van deze brandwonden ten onrechte alleen maar paracetamol ontvangt, terwijl hij eigenlijk overgebracht had moeten worden naar het brandwondencentrum in Beverwijk.
5.2.
Met de minister ziet de rechtbank ook in dit betoog geen reden voor toepassing van een lichter middel. Daartoe is allereerst van belang dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Uitgangspunt is daarom dat eiser in vrijheid geen andere behandeling zal ontvangen dan in detentie en eiser heeft het tegendeel niet met stukken onderbouwd. Ook heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij niet in staat zou zijn de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat door een gebrek aan medische zorg zijn gezondheid zal verslechteren. Om die reden heeft eiser ook met dit betoog niet aannemelijk gemaakt dat de minister ten onrechte niet heeft volstaan met de toepassing van een lichter middel.
Conclusie
6. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de bewaring in de te beoordelen periode onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geworden.
6.1.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom - Akkermans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.