ECLI:NL:RBDHA:2025:7956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
AWB 24/17488 en AWB 24/17489
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van beroep tegen locatieverbod COA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een locatieverbod dat hem door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is opgelegd, waarmee hij het terrein van de COA-locatie Luttelgeest niet meer mocht betreden vanaf 27 oktober 2024. Het locatieverbod is gebaseerd op artikel 138, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en zou gelden tot 10 november 2024.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de brief van het COA waarin het locatieverbod werd medegedeeld, weliswaar een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro leek te zijn, maar in werkelijkheid geen publiekrechtelijke rechtshandeling is. De opvang en verstrekking van voorzieningen zijn niet beëindigd maar voortgezet op een andere locatie, waardoor het locatieverbod niet gericht is op een rechtsgevolg.

De rechtbank oordeelt dat het locatieverbod een feitelijke mededeling betreft en dat er geen rechtsmiddel openstaat tegen deze maatregel. Omdat het geen besluit in de zin van de Awb is, verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het locatieverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/17488 en AWB 24/17489
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 april 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
en

het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het locatieverbod en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Met de brief van 27 oktober 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij vanaf die datum het terrein van de COA-locatie Luttelgeest niet meer mag betreden.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser was niet aanwezig. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Verweerder heeft in de Engelstalige brief van 27 oktober 2024 meegedeeld dat eiser vanaf die datum het terrein van de COA-locatie niet meer mag betreden. Verder is vermeld dat het locatieverbod is gebaseerd op artikel 138, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en dat het geldt tot 10 november 2024.
Wat vindt eiser in beroep?
3. De brief is een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er staat geen bezwaarprocedure open dus de beroepsprocedure is het enige rechtsmiddel. Het besluit is niet gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Ook heeft eiser geen mogelijkheid gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Er is op geen enkele wijze rekening gehouden met zijn belangen. Daarnaast heeft verweerder geen goede en redelijke grond om hem de toegang tot het asielzoekerscentrum (AZC) te ontzeggen. Verweerder heeft niet vermeld op welke grond eiser de toegang is ontzegd. Tot slot is het onevenredig dat eisers gezin van elkaar wordt gescheiden.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 27 oktober 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het locatieverbod is namelijk niet op enig rechtsgevolg gericht, omdat de opvang en verstrekkingen [1] niet zijn beëindigd maar zijn voorgezet in Dronten. Het locatieverbod behelst niet meer dan een feitelijke mededeling en is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen zo een maatregel, niet zijnde een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid van de Awb open.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren kennis te nemen van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voortvloeiend uit Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.