ECLI:NL:RBDHA:2025:7972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
SGR 25/2194
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening kinderbijslag niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat het griffierecht van €53,- niet binnen de gestelde termijn is betaald. De griffier had verzoekster per aangetekende brief verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief is retour gekomen. Vervolgens is de nota per gewone post verzonden, maar betaling bleef uit.

Verzoekster heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. D.R. van der Meer op 9 mei 2025. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De beslissing bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet en heeft een voorlopig karakter.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2194

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(hierna ook: de Svb)
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het derde kwartaal van 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 24 september 2024 bepaald dat verzoekster vanaf het derde kwartaal van 2024 niet meer de aanvrager is van de kinderbijslag voor haar zoon. Met het besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de Svb bij dat besluit gebleven. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 21 maart 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze aangetekend verzonden brief is retour gekomen. Op 24 april 2025 heeft de rechtbank de griffierechtnota per gewone post verzonden naar het adres zoals verzoekster dat in haar verzoekschrift heeft vermeld. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.