ECLI:NL:RBDHA:2025:7987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
NL25.3923
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 62a VwArt. 3.108b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Colombiaanse homoseksuele hiv-patiënt wegens onvoldoende gegronde vrees

De rechtbank Den Haag heeft het beroep behandeld van een Colombiaanse asielzoeker die zich beroept op zijn homoseksualiteit, hiv-besmetting en Afro-Colombiaanse afkomst als grond voor bescherming. De minister had zijn asielaanvraag afgewezen en een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.

De rechtbank oordeelt dat de identiteit, nationaliteit en geaardheid geloofwaardig zijn, maar dat de verklaringen over de problemen met de FARC vaag, summier en tegenstrijdig zijn. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de asielzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft, mede omdat homoseksualiteit in Colombia niet strafbaar is en de overheid de rechten van lhbtiq’ers waarborgt.

Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de asielzoeker een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank stelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de verklaringen en dat de vrees voor vervolging onvoldoende is onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen met oplegging van een terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3923

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Colombiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.W. Immink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag van 26 oktober 2023. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2025 ongegrond verklaard. Daarin is ook een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Het besluit geldt ook voor een aantal andere Europese landen. Het terugkeerbesluit is ook in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd?
3. Eiser heeft – samengevat – verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum], dat hij afkomstig is uit Colombia en tot de Afro-Colombiaanse behoort. Hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is en met hiv besmet en daardoor vanaf begin oktober 2023 problemen heeft ondervonden met de FARC. Eiser vreest voor de FARC omdat zij via een vriend, [naam] , te weten zijn gekomen dat eiser hiv heeft. Deze vriend heeft ook banden met de FARC. Eiser heeft verklaard dat deze vriend, vanwege zijn betrekkingen met FARC, is vermoord. Ook vreest eiser zijn ex-partner [naam] , die niet bij de FARC zit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers homoseksualiteit en hiv-besmetting en de daardoor ondervonden problemen.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook de homoseksualiteit en de hiv-besmetting zijn geloofwaardig geacht. De daardoor ondervonden problemen zijn ongeloofwaardig geacht nu eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister heeft eiser vaag en summier verklaard over wie vanuit de FARC en waarom de FARC in hem geïnteresseerd is. Verder stelt de minister dat eiser tegenstrijdig en bevreemdend heeft verklaard over wie en wanneer eiser heeft verteld over de hiv-besmetting en zijn homoseksualiteit. De overige verklaringen brengen de minister niet tot een ander oordeel. Ten slotte vindt de minister de overgelegde kopie van de brief van de ombudsman met betrekking tot gedwongen ontheemding tegenstrijdig aan eisers verklaringen. De ondervonden problemen zijn daarom niet verder getoetst. De geloofwaardige asielmotieven leiden volgens de minister niet tot het aanmerken van eiser als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag nu niet is gebleken van gegronde vrees voor vervolging. Homoseksualiteit is in Colombia niet strafbaar. De Colombiaanse overheid stelt de rechten van lhbtiq’ers te waarborgen. Er zijn meerdere wetten op grond waarvan discriminatie verboden is. Eiser kan zich in Colombia in vrijheid uiten. Uit verschillende passages van ambtsberichten en eisers eigen verklaringen volgt dat niet aannemelijk is dat eiser in Colombia te vrezen zal hebben voor systematische vervolgingen of mensenrechtenschendingen. Bovendien kan de Colombiaanse overheid in het algemeen bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. Niet is gebleken dat dit voor eiser bij voorbaat zinloos of gevaarlijk is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. [1] De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is en afgewezen moet worden.
4.2.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep aangetekend. Hieronder zal besproken worden hoe de rechtbank oordeelt over wat eiser heeft aangevoerd.
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Voor zover eiser in beroep niet toelicht waarom hij het met (onderdelen van) de motivering niet eens is, komt aan zijn algemene stelling om wat in de onderhavige procedure voorafgaand aan het bestreden besluit is ingebracht als herhaald en ingelast te beschouwen, geen betekenis toe.
Zijn de correcties en aanvullingen ten onrechte niet betrokken?
6. Eiser stelt dat er correcties en aanvullingen waren op de gehoren en dat die ten onrechte niet zijn betrokken.
6.1.
Vlak voor de zitting heeft de gemachtigde van eiser alsnog correcties en aanvullingen, gedateerd 5 september 2024, aan het dossier toegevoegd en aangegeven dat er destijds bij het indienen kennelijk iets verkeerd is gegaan. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken er geen bezwaar tegen te hebben dat de correcties en aanvullingen alsnog aan het dossier toegevoegd worden. De beroepsgrond kan verder onbesproken blijven.
Kon eiser gehoord worden?
7. Eiser stelt dat de minister niet voldoende actief heeft nagegaan of eiser kon worden gehoord en of voldoende bijzondere procedurele waarborgen en passende steun zijn geboden. [2] Uit zijn antwoorden blijkt dat er bij eiser vaak verwarring en onduidelijkheid was en het was eiser bijvoorbeeld niet altijd duidelijk of de vragen gingen over zijn geaardheid of het bekend worden van de hiv-besmetting.
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van MediFirst niet blijkt van beperkingen die ertoe moesten leiden dat eiser niet gehoord kon worden. De minister stelt ook dat voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser en dat niet is gebleken dat eiser de tolk niet goed kon verstaan of begrijpen. Eiser heeft hier toen verder ook geen opmerkingen over gemaakt.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet gehoord zou kunnen worden. Uit het rapport van MediFirst blijkt dat eiser moeite heeft met het noemen van exacte jaartallen, data of maanden, dat hij zichzelf lastig kan uitdrukken en dat hij deze daarom bij benadering kan benoemen. Uit de rapporten van de gehoren blijkt echter dat hiermee in voldoende mate rekening is gehouden. Er is voldoende doorgevraagd of verduidelijking gevraagd van concrete jaartallen of data. [3] Verder is eiser na het nader gehoor nog uitgebreid aanvullend gehoord en heeft hij gelegenheid gekregen om tegenstrijdigheden in zijn verklaringen uit te leggen of toe te lichten. Niet is gebleken dat eiser de vragen niet begreep of dat deze voor hem onduidelijk waren. Eiser heeft ook niet aangegeven niet gehoord te kunnen worden of eventueel een arts nodig te hebben.
Heeft de minister eisers verklaringen over de problemen wegens zijn geaardheid en de hiv-besmetting ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende motiveert waarom zijn verklaringen tegenstrijdig zouden zijn op het punt van de bekendheid van zijn familie met zijn geaardheid en de dreiging van FARC of [naam] om de hiv-besmetting bekend te maken. Verder stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de namen van de FARC-leden niet kende; die namen zijn immers niet aan hem bekend gemaakt. De namen zijn bovendien niet van belang voor de beoordeling van de aanvraag. Ook stelt eiser dat de hiv-besmetting bekend is bij de FARC en dat zij hem bedreigd hebben zodat hij heeft moeten vluchten. Verder is eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij na zijn vertrek uit [plaats] niets meer van de FARC heeft gehoord. Dat is volgens eiser verklaarbaar omdat hij toen naar Bogotá is gegaan, aldaar bij derden heeft verbleven en daarna het land heeft verlaten.
8.1.
De minister heeft naar aanleiding van de beroepsgrond opgemerkt dat deze een herhaling van zetten is van hetgeen is aangevoerd in de zienswijze op het voornemen. De minister handhaaft, onder verwijzing naar het bestreden besluit, zijn standpunten over de verklaringen en eiser en dat deze ongeloofwaardig zijn.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers verklaringen ongeloofwaardig heeft mogen achten. De minister heeft niet ten onrechte gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaringen bij het nader gehoor en het aanvullend gehoor. Zo verklaarde eiser in het nader gehoor dat hij [naam] begin oktober 2023 heeft verteld dat hij hiv heeft en dat [naam] later dreigde dit aan zijn familie te vertellen, die van niets wist, en dat [naam] de FARC erover had geïnformeerd. Verderop in het nader gehoor verklaart eiser dat [naam] mensen in de wijk over eisers ziekte had verteld en dat zijn familie er ook achter kwam. Anderzijds herhaalt eiser dit in het aanvullend gehoor, maar dan verklaart hij dat dit in september 2023 is gebeurd en dat [naam] aan niemand heeft verteld dat hij hiv heeft en dat zijn familie dit nooit benoemd heeft naar eiser. Als eiser met deze tegenstrijdigheid wordt geconfronteerd, verklaart hij dat zijn verklaring ging over zijn homoseksualiteit en dat zijn familie dat ook niet wist. De minister heeft eiser naar het oordeel van de rechter hierin terecht niet gevolgd nu uit de gestelde vragen duidelijk blijkt dat het over de hiv-besmetting ging. Bovendien verklaarde eiser zelf dat zijn familie al lang op de hoogte was van zijn homoseksualiteit, omdat hij dat zelf had verteld. [4] De minister heeft eiser de tegenstrijdigheden mogen tegenwerpen nu de hiv-besmetting, de dreiging dat zijn familie hierover zou worden ingelicht en zijn homoseksualiteit volgens eiser de aanleiding zijn voor de problemen met FARC en daarmee de essentie van het asielrelaas betreffen.
8.3.
Verder heeft de minister eiser ook mogen tegenwerpen dat hij vaag en summier heeft verklaard over wie vanuit de FARC in hem geïnteresseerd zijn en waarom. Zo kan eiser geen namen noemen en geeft hij aan enkel te vrezen voor ‘die persoon’. Verder verklaart eiser dat [naam] , die in contact stond met de FARC, vermoord is vanwege zijn banden met FARC en dat eiser nooit door iemand anders is benaderd vanuit de FARC.
Gelet op deze verklaringen stelt de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt dat niet valt in te zien dat eiser problemen heeft met de FARC: niet duidelijk is voor wie hij precies vreest, eisers persoonlijke link met de FARC is overleden en niet blijkt hoe deze moord is te relateren aan zijn relaas. Daarbij heeft de minister ook van belang mogen vinden dat eiser na zijn vertrek uit Buenaventura niets heeft gehoord van de FARC, terwijl hij ook verklaard heeft dat zij hem via hun netwerk kunnen opsporen. De minister stelt daarnaast niet onterecht dat niet duidelijk is gemaakt welke concrete belastende informatie eiser over de FARC zou hebben terwijl hij daar nooit actief voor is geweest. [5] De enkele stelling van eiser dat de namen van FARC-leden niet relevant zijn om te beoordelen of de bedreiging serieus is of niet, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Dit geldt ook voor eisers betoog dat hij in een grote stad (Bogotá) heeft verbleven en dat zijn adres aldaar onbekend was. Dit is, zoals de minister terecht stelt, tegenstrijdig aan eisers betoog dat FARC een groot netwerk heeft en hem kan opsporen.
8.4.
Ten aanzien van het document van de ombudsman heeft de minister daaraan naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden niet de betekenis toegekend die eiser eraan toekent. De minister heeft erop mogen wijzen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard ten aanzien van de inhoud van het document. In het document is namelijk niets vermeld over de seksuele geaardheid als bron van de door eiser gestelde problemen. Ook is de datum van
12 september 2023 vermeld als datum dat eiser slachtoffer werd in plaats van, zoals eiser heeft verklaard, begin oktober 2023.
Heeft de minister terecht vastgesteld dat niet is gebleken van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade?
9. Eiser stelt dat hij als activistische homoseksueel, behorend tot de Afro-Colombiaanse bevolkingsgroep en hiv-patiënt, gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en/of ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en dat hij daarom niet veilig kan leven in Colombia. Het besluit bevat op dit punt volgens eiser een motiveringsgebrek. Eiser heeft in Colombia veel racisme en discriminatie ondervonden en moest zijn hiv-besmetting zoveel mogelijk geheim proberen te houden. Nu de besmetting toch bekend is geworden bij derden in onder meer zijn wijk, vreest hij voor terugkeer. Voor zover de minister stelt dat het niet bekend is geworden bij derden, stelt eiser dat bedacht moet worden dat het risico groot is dat deze besmetting vroeg of laat wel bekend zal worden bij derden omdat het steeds moeilijker wordt om het te verbergen. Het aantal bedreigingen en moorden op lhbtiq’ers in Colombia is, zo blijkt uit het ambtsbericht, toegenomen en het blijkt in de praktijk dat de autoriteiten hen niet afdoende beschermen. Met een aangifte loopt eiser juist risico op machtsmisbruik en politiegeweld, en er wordt ook niets mee gedaan. De overgelegde verklaring van de ombudsman bevestigt dit en ook dat eiser elders internationale bescherming nodig heeft nu hij erkend is als slachtoffer, nadat hiernaar onderzoek is gedaan. Eiser wenst zijn activisme ook verder te kunnen ontplooien en daarin kan van hem geen terughoudendheid verlangd worden.
9.1.
De minister stelt dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Dat hij afkomstig is uit Colombia en Afrikaans-Colombiaans is, is daarvoor onvoldoende. Ook de homoseksualiteit en de hiv-besmetting leiden niet tot gegronde vrees voor vervolging. Lhbtiq’ers worden in Colombia niet vervolgd en daarnaast waarborgt de Colombiaanse overheid de rechten van lhbtiq’ers. De minister stelt dat alle objectieve informatiebronnen zijn betrokken maar dat uit die bronnen voor eiser niet blijkt van gegronde vrees voor vervolging. De minister wijst er daarnaast ook op dat de situatie voor lhbtiq’ers in stedelijke gebieden gunstiger is en dat eiser zelf heeft verklaard dat hij in de stad [plaats] openlijk als activistische homoseksueel kon leven. Uit zijn verklaringen is niet gebleken dat eiser door zijn activiteiten voor de lhbtiq-gemeenschap problemen heeft ondervonden. Gelet hierop meent de minister dat bij terugkeer geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Ten slotte voert de minister aan dat de vraag of de autoriteiten voldoende bescherming bieden overigens pas aan de orde komt is als sprake is van gegronde vrees en die acht de minister niet aanwezig.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de vrees voor vervolging en/of schending van artikel 3 EVRM Pro onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daartoe van belang mogen vinden dat niet geloofwaardig is geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege het zijn van een activistische homoseksueel of vanwege de hiv-besmetting. Eiser heeft immers verklaard dat hij met vrienden in [plaats] uitging, deelnam aan demonstraties en voorlichtingsbijeenkomsten voor lhbtiq-rechten en verder dat hij enkel verbale agressie op straat heeft meegemaakt. [6] Ten aanzien van de Afro-Colombiaanse afkomst heeft eiser weliswaar verklaard dat hij racisme en discriminatie heeft ondervonden maar ook dat hij een opleiding heeft gevolgd en een baan had. [7] Uit de verklaringen van eiser is ook niet gebleken dat racisme en discriminatie de reden waren om Colombia te verlaten.
9.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij voorkomende problemen geen mogelijkheid heeft om de bescherming van de Colombiaanse autoriteiten in te roepen. De minister heeft hiervoor van belang kunnen vinden dat uit algemene informatie blijkt dat de rechten van leden van de lhbtiq-gemeenschap in Colombia voldoende zijn gewaarborgd. [8] De minister heeft er terecht op gewezen dat in het Colombiaanse wetboek van Strafrecht een antidiscriminatiewet is opgenomen. Die leidt weliswaar niet automatisch tot bescherming van de lhbtiq-gemeenschap, maar zorgt wel voor een verbetering van de juridische positie van deze gemeenschap. De rechtbank wijst wat dit betreft ook op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ten aanzien van de veiligheidssituatie van lhbtiq’ers in Colombia. [9] Bovendien heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser heeft geprobeerd om bescherming te vragen aan de autoriteiten. Hij heeft alleen de ombudsman om hulp gevraagd maar geen aangifte gedaan bij de politie omdat die geen bescherming zou bieden. De minister heeft dit onvoldoende mogen vinden, nu eiser immers uiteindelijk wel is geholpen door de ombudsman die ook een document heeft opgesteld. Er is dus steun mogelijk van de overheid waardoor vragen van bescherming niet bij voorbaat gevaarlijk of zinloos is.
9.4.
Eisers verwijzing naar het ambtsbericht van juni 2024, met de stelling dat er sprake is van schoonmaakacties jegens mensen met hiv die als ongewenst persoon worden gezien en dat het aantal dreigingen is toegenomen, kan hem ook niet baten. De minister erkent namelijk wel dat er nog uitdagingen zijn voor de lhbtiq-gemeenschap in Colombia [10] maar heeft er in dit verband op mogen wijzen dat er al veel verbeteringen zijn en dat eiser niet heeft aangetoond dat er in Colombia geen effectieve bescherming mogelijk is als lid van de lhbtiq-gemeenschap. Bovendien stelt de minister terecht dat uit het ambtsbericht van 2024 niet blijkt dat sprake is van systematische vervolgingen of mensenrechtenschendingen en dat dit evenmin blijkt uit eisers verklaringen. Het ambtsbericht van juni 2024 vermeldt in 2022 bijna een verdubbeling van het aantal bedreigingen en andere soorten van intimidatie tegen de lhbtiq-gemeenschap. [11] Uit de gegevens uit het rapport volgt echter niet dat homoseksuelen en/of mensen met hiv systematisch doelwit zijn bedreigingen, moord en andere ernstige geweldsincidenten.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de door hem ondervonden problemen vanwege zijn geaardheid en hiv-besmetting ongeloofwaardig zijn en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in Colombia of daar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De beroepsgronden slagen niet. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft daarom ook een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken kunnen opleggen [12] .
10.1.
Eiser heeft ten aanzien van de gevolgen van de afwijzing en het opgelegde terugkeerbesluit gesteld dat hij het niet eens is met de SIS-signalering omdat hij vreest dat hij daardoor niet bij zijn zuster in Italië kan verblijven. De rechtbank wijst erop dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond en dat eiser daardoor geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De minister heeft eiser daarom terecht een terugkeerbesluit opgelegd. Aan eiser is geen inreisverbod opgelegd. De minister heeft gesteld dat, als eiser is teruggekeerd naar Colombia, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering vervallen. Eiser kan vervolgens visumvrij inreizen naar Italië. Eiser heeft dit niet bestreden.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Aissa, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.Zie artikel 3.108b van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
3.Zie bijvoorbeeld blz. 12 van het aanvullend gehoor.
4.Zie voor de verklaringen blz. 4, 11, 13 en 14 van het nader gehoor en blz. 10, 12 en 17 van het aanvullend gehoor.
5.Zie voor de verklaringen blz. 7 en 8 van het nader gehoor en blz. 10, 12, 13 en 14 van het aanvullend gehoor.
6.Zie blz. 11 en 12 van het nader gehoor en blz. 3 en 8 van het aanvullend gehoor.
7.Zie blz. 6 en 10 van het nader gehoor.
8.Zie ook blz. 105 van het algemeen ambtsbericht Colombia, maart 2022 en blz. 69 van het algemeen ambtsbericht Colombia van juni 2024.
9.Zie onder andere de uitspraak van 8 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2397) en de uitspraak van
10.Zie blz. 6 van het voornemen.
11.Zie blz. 72 van het algemeen ambtsbericht Colombia van juni 2024.
12.Zie artikel 62a van de Vw.