ECLI:NL:RBDHA:2025:7992
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Bulgarije op grond van Dublinverordening
Verzoekster heeft een eerdere asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Haar bezwaar en hoger beroep hiertegen zijn ongegrond verklaard. Na een tweede asielaanvraag, die eveneens werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe elementen, heeft de minister besloten tot overdracht aan Bulgarije.
Verzoekster stelde dat zij mantelzorg moet verlenen aan haar ernstig zieke zus in Nederland, wat een reden zou zijn om de overdracht op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar zus afhankelijk is van haar zorg en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de overdracht kunnen verhinderen.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Bulgarije niet is doorbroken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, waardoor de overdracht aan Bulgarije kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Bulgarije wordt afgewezen.