ECLI:NL:RBDHA:2025:7999

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
NL24.41886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArtikel 15 KwalificatierichtlijnRichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering afwijzing asielaanvraag Jemen en onjuiste beoordeling veiligheidssituatie

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, verzocht asiel vanwege de oorlogssituatie en persoonlijke problemen met de Houthi’s, waaronder gedwongen rekrutering en de situatie van zijn dochter. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het risico op willekeurig geweld en onbetrouwbaarheid van de verklaringen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, terwijl recente informatie juist wijst op een verslechtering van de situatie. Tevens is onvoldoende ingegaan op de humanitaire situatie en de impact van acties van strijdende partijen, zoals vereist op grond van het arrest Sufi en Elmi.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en onjuiste beoordeling van de veiligheidssituatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41886

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld in Breda, tezamen met de zaak NL24.41884. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en Jemenitische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 18 april 2022 een asielaanvraag ingediend.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft Jemen in 2021 verlaten vanwege de oorlogssituatie. Daarnaast heeft eiser problemen met de Houthi’s gehad vanwege gedwongen rekrutering. Na eisers vertrek uit Jemen is eisers dochter verkracht door een lid van de Houthi’s en om die reden gevangen gezet. Zij zal gedwongen worden om met haar verkrachter te trouwen en eiser is het hiermee niet eens.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen van eiser met Houthi’s vanwege gedwongen rekrutering heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser hierover zijn namelijk ongerijmd, niet eenduidig en komen niet overeen met informatie uit openbare bronnen. De problemen van eisers dochter zien niet op eiser persoonlijk en worden daarom niet aangemerkt als relevant element. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers in Jemen.
4. Op wat eiser aanvoert, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [1]
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Jemen een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Daarbij is verweerder onvoldoende ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Eiser verwijst naar de uitspraken van de meervoudige kamers van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 29 oktober 2024 [2] en zittingsplaats Den Haag van 28 november 2024 [3] en uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 januari 2025 [4] en 24 januari 2025. [5] Ook wijst eiser op landeninformatie van Vluchtelingenwerk van 8 november 2024. Ten aanzien van de humanitaire situatie hanteert verweerder een onjuiste beoordelingsmaatstaf en ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet voornamelijk is te wijten aan acties van de strijdende partijen. Daarnaast heeft het stopzetten van USAID [6] gevolgen voor de humanitaire situatie in Jemen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verwezen naar een artikel van Amnesty International van 10 april 2025. [7] Ter zitting heeft eiser in reactie op het verweerschrift en de daarbij gevoegde beantwoording van vragen van de Afdeling [8] van 5 maart 2025 aangevoerd dat daarbij niet de meest recente bronnen zijn betrokken. Eiser wijst erop dat ACLED, een door verweerder aangehaalde bron in zijn stuk van 5 maart 2025, laatstelijk op 4 en 18 maart 2025 informatie over de situatie in Jemen heeft gepubliceerd [9] en dat die informatie niet betrokken is door verweerder. Uit die informatie volgt dat de situatie in Jemen is verergerd.
6. Verweerder heeft zijn landenbeleid voor Jemen in dat verband vastgelegd in paragraaf C7/19 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Ten tijde van het bestreden besluit werd daarbij een hoge mate van willekeurig geweld (minder uitzonderlijke situatie) aangenomen. Sinds 6 februari 2025 wordt in genoemde paragraaf gesproken over een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Een vreemdeling uit Jemen moet op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt.
7. Eiser voert terecht aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, maar van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het volgende is daartoe redengevend.
8. In het voornemen heeft verweerder, onder verwijzing naar het landenbeleid, overwogen dat in Jemen een hoge mate van willekeurig geweld wordt aangenomen. In het bestreden besluit heeft verweerder in reactie op de verwijzing van eiser in de zienswijze naar het algemeen ambtsbericht over Jemen van 2023 overwogen dat dit is meegewogen in het voornemen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld in Jemen. In het verweerschrift heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie verwezen naar de algemene ambtsberichten over Jemen van 2022 en 2023. In de brief van 5 maart 2025, die als bijlage bij het verweerschrift is overgelegd, heeft verweerder naar diverse bronnen verwezen, waaronder naar updates van ACLED. De meest recente bron dateert van februari 2025. Eiser heeft ter zitting echter op meer recentere informatie, uit maart 2025, van ACLED. In die recentere informatie wordt onder meer ingegaan op de recente luchtaanvallen van de Verenigde Staten op het grondgebied van Jemen en de onderlinge strijd tussen Houthi’s. Het lag op de weg van verweerder om aan de hand van de meest recente landeninformatie te beoordelen wat de huidige veiligheidssituatie in Jemen is. Dit heeft verweerder echter nagelaten.
9. Eiser voert daarnaast terecht aan dat uit de uitspraken van onder meer de zittingsplaatsen Amsterdam en Den Haag volgt dat de veiligheidssituatie in Jemen precair is en dat het feitelijke bestand tussen de strijdende partijen onder druk staat. De rechtbank acht verder van belang dat, zoals ook bij de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam is betrokken, in de nota van 29 september 2023 actieve intrekking van al verleende verblijfsvergunningen asiel aan vreemdelingen uit Jemen niet opportuun wordt geacht, omdat het zeer discutabel is of wordt voldaan aan de voorwaarde dat de wijziging van de omstandigheden in Jemen een voldoende en niet-voorbijgaand karakter heeft. Hoewel de vraag of een reeds verleende verblijfsvergunning asiel kan worden ingetrokken, naar zijn aard een andere beoordeling vergt dan de vraag of een aanvraag van een vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel al dan niet kan worden afgewezen, duidt ook dit erop dat de veiligheidssituatie in Jemen fragiel is. Uit de door verweerder in de brief van 5 maart 2025 aangehaalde data van ACLED blijkt dat in 2024 minder burgerdoden vielen dan de jaren daarvoor, hoewel er in datzelfde jaar wel meer gewelddadige incidenten jegens burgers plaatsvonden dan de jaren daarvoor. Verweerder heeft geen informatie over burgerdoden en gewelddadige incidenten jegens burgers over 2025 overgelegd. Dit terwijl ook in de door eiser overgelegde landeninformatie uit 2025 zijn aanknopingspunten te vinden voor de conclusie dat de huidige veiligheidssituatie in Jemen fragiel is. De door verweerder overgelegde informatie is daarom onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een duurzame wijziging van de veiligheidssituatie in Jemen. Het voorgaande is door verweerder onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
10. Ook voert eiser terecht aan dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de humanitaire situatie in Jemen. Met de enkele overweging dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [10] , is verweerder onvoldoende ingegaan op de door eiser overgelegde informatie over de humanitaire situatie in Jemen.
11. Wat verweerder in het verweerschrift aanvullend heeft overwogen ten aanzien van de humanitaire situatie, is eveneens onvoldoende. Uit het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof van de Rechten van de Mens volgt dat wanneer erbarmelijke humanitaire omstandigheden voornamelijk te wijten zijn aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict, moet worden beoordeeld of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn ‘
to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame’. [11] Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of is voldaan aan het criterium uit Sufi en Elmi om te voorkomen dat eiser bij terugkeer zal worden blootgesteld aan omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Ook heeft verweerder nagelaten te motiveren hoe groot het aandeel van de strijdende partijen is en waaruit volgt dat de slechte humanitaire situatie niet
voornamelijkis te wijten aan de strijdende partijen. De rechtbank verwijst hierbij ook naar zijn uitspraak van 15 januari 2025.
12. Het beroep is gelet op het bovenstaande reeds gegrond. De overige beroepsgronden over de beoordeling van het individuele relaas van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie
13. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het beroep van eiser hangt samen met dat van zijn zus [zus] met nummer NL24.41884, dat tegelijk op zitting is behandeld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eisers gezamenlijk vast op € 1.814 (twee samenhangende zaken, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met
inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in de zaak met nummer NL24.41886
en eiseres in het beroep met nummer NL24.41884 gezamenlijk tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95/EU.
6.United States Agency for International Development.
7.Amnesty International ‘Yemen: US abrupt and irresponsible aid cuts compound humanitarian crisis and put millions at risk’, 10 april 2025.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Rapportages ‘A barometer of Houthi repression: Governance and infighting in Ibb governorate’ va 4 maart 2025 en ‘Expert comment: US airstrikes on Yemen signal shift in strategy agains the Houhtis’ van 18 maart 2025, via www.acleddata.com.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
11.Arrest van 28 juni 2011, zaaknrs. 8319/07 en 11449/07.